Loading...

De Onderbreking

Kabels en leidingen

Kabels en leidingen

De glazen bol van Liander

Harderwijk, Parkeergarage Houtwal

Visie van… Edith Boonsma

Ondertekening uitvoeringsprotocol kabels en leidingen Zuid-Holland

Grondscanner levert voor iedereen begrijpelijke informatie

Ontwikkelen vanuit permanente tijdelijkheid

Arnhem, Ondergronds afvaltransport

Kabels en leidingen bij gebiedsontwikkeling

In Focus: Pionieren met waterleidingen

Kennisbank

Kabels en leidingen

De glazen bol van Liander

Calamiteiten voorkomen, de betrouwbaarheid vergroten en inzicht krijgen in toekomstig gedrag van klanten. Netbeheerders willen om allerlei redenen naar een hogere voorspelbaarheid van hun netwerken. Netbeheerder Liander heeft een model ontwikkeld dat aan de hand van metingen in de praktijk wordt gevalideerd, en dat aan de hand van die metingen steeds slimmer wordt.

De voorspelbaarheid van netwerken wordt steeds belangrijker. “In het licht van de energietransitie waarbij elektriciteit steeds vaker decentraal wordt opgewekt en het netwerk als gevolg van nieuwe energiebronnen (zon, wind, warmtepompen) op een andere manier wordt belast, hebben we meer informatie nodig om gericht te kunnen investeren in onze netwerken”, zegt consultant Hein van de Wijgert van Liander. “Consumenten worden producenten, wat betekent dat je niet langer een top-downbenadering kunt hanteren. We gaan steeds meer naar decentralisatie van systemen. Op die ontwikkeling anticiperen wij. Bij dreigende piekbelasting is van oudsher de reflex om zwaardere kabels aan te leggen. Dat zal op sommige plekken nog steeds aan de orde zijn, maar met behulp van slimme modellen kunnen we veel meer gebiedsgericht werken. Ons zogeheten ANDES-model biedt trendanalyses over de inzet van warmtebronnen, zon en wind. Op basis van specifieke kenmerken kunnen we voorspellen in welke wijken of gebieden vermoedelijk groei van toepassing van zonne-energie zal plaatsvinden. Dat leidt tot belastingsprofielen tot op wijkniveau, aan de hand waarvan we de impact op het netwerk kunnen bepalen.”

ANDES

Het ANDES-model (advanced net decision support) biedt inzicht in de huidige en toekomstige netbelasting, waarmee Liander de impact van lokale veranderingen op het net (als gevolg van de energietransitie) tijdig ziet aankomen. Doel is om investeringen in de netten zoveel mogelijk uit te stellen of te voorkomen en om de leveringszekerheid te verhogen. Het model is voortdurend in ontwikkeling. Praktijkmetingen worden gebruikt om het model te valideren en verder te verfijnen.

ANDES brengt scenario’s in beeld voor macro-ontwikkelingen op het gebied van zonnepanelen, elektrisch vervoer en warmtepompen. De penetratie van de verschillende ontwikkelingen wordt per postcodegebied in kaart gebracht op basis van onder andere demografische en planologische ontwikkelingen en ontwikkelingen bij grootverbruikers. Op basis daarvan wordt per gebied de impact op het net berekend. Meetdata worden gebruikt om inzicht te krijgen in huidige belasting van het net en de mate waarin de netcapaciteit wordt benut. Zo komen capaciteitsknelpunten in beeld.

Bijdragen aan verduurzaming

Data gebruiken om gebiedsgericht werken en daarmee ook elektriciteitsverbruik te verevenen, kan bijdragen aan optimalisatie van netwerken en de verduurzamingsdoelstellingen van afnemers. Hein van de Wijgert: “Wij zitten bij bijvoorbeeld gemeenten als gesprekspartner aan tafel, waar het gaat om het bepalen van de optimale energiemix. Vanuit onze systemen kunnen we grootverbruikers informatie verschaffen waarmee zij kunnen sturen op verbruik. Heel concreet kan dat betekenen dat we op basis van de beschikbare ruimte op het net adviseren ten aanzien van de locatie van een datacenter. In Amsterdam praten we mee over de bouwopgave voor vijftig duizend nieuwe woningen. Wij hebben er belang bij zo vroeg mogelijk betrokken te raken bij ruimtelijkeordeningsplannen, omdat we daarmee desinvesteringen kunnen voorkomen en tot betere afstemming in de operationele uitvoering kunnen komen. Ook op andere thema’s, zoals de energievoorziening van tunnels en andere ondergrondse infrastructuur, zouden wij vanuit datagedreven netbeheer een rol kunnen spelen.”

Scrummen in het lab

“Met behulp van datagedreven netbeheer willen we al onze processen beter en slimmer maken”, vertellen Hein van de Wijgert en collega Denny Harmsen. “Daarbij hebben we vier doelstellingen: hogere klanttevredenheid, gerichter investeren, verhoging van de leveringszekerheid en verlaging van de operationele kosten. Waar we vroeger meer techniekgedreven waren, werken we nu veel meer vanuit businessdoelen. Die doelen moeten meetbaar zijn, maar we werken niet met complete dashboards waarmee we alle processen continu monitoren. Voorlopig is ons doel om het elke dag een beetje beter te doen. Simpelweg omdat we nog moeten ontdekken wat digitalisering ons exact gaat opleveren. In Noord-Holland-Noord brengen we allerlei uitrolprojecten op het gebied van digitalisering versneld samen, zodat we daar integraal ervaring kunnen opdoen met alle meetdata die daar beschikbaar komen.”

“We moeten nog ontdekken wat digitalisering ons exact gaat opleveren.”

Noord-Holland-Noord is het voorlooprayon voor de ideeën die in het Liander Control Lab (LCL) in Haarlem worden uitgewerkt. In het LCL scrummen mensen van de afdelingen Netmanagement, Netcare, Assetmanagement, Klant & Markt en IT naar nieuwe data-toepassingen. Vaak zijn de daarvoor benodigde data al aanwezig. Een van de ideeën die worden uitgewerkt, is het in een overzicht bijeenbrengen van verschillende informatiestromen, zodat bedrijfsvoerders sneller een analyse kunnen maken. In de praktijk ontstaat een wisselwerking tussen het LCL en het voorlooprayon. Zo worden in Noord-Holland-Noord versneld slimme meters aangeboden aan gebruikers die zijn aangesloten op intelligente middenspanningsruimtes. De gecombineerde data van de slimme meters en de middenspanningsruimtes kunnen helpen om storingen sneller op te lossen.

Storingen voorkomen

Het paradepaardje van de recente ontwikkelingen bij Liander is de Smart Cable Guard (SCG). Het systeem om stroomstoringen in tijd en plaats te kunnen voorspellen, is ontwikkeld in samenwerking met DNV GL, Enexis en Locamation. Met een proef in Friesland is al aangetoond dat de SCG daadwerkelijk stroomstoringen kan voorkomen. Denny Harmsen: “Het systeem biedt een oplossing voor stroomstoringen die het gevolg zijn van kortsluiting in ondergrondse kabelverbindingen, en kan meer dan de helft van alle stroomstoringen voorkomen.”

Smart Cable Guard

De Smart Cable Guard meet verstoringen in middenspanningskabels. Er wordt een signaal door de kabel gestuurd. Verstoring van dat signaal door deelontlading op de plaats waar kortsluiting aanstaande is, wordt zowel aan het begin (A) als aan het eind (B) van de kabel gemeten. Door te berekenen wat het verschil in tijd is die het signaal nodig heeft om A en B te bereiken, kan exact worden bepaald waar de verstoring zich bevindt.

 

 

Op de totale betrouwbaarheid van de elektriciteitsnetwerken is het effect overigens alleen in cijfers achter de komma uit te drukken. Met een betrouwbaarheid van 99,995% zijn de nog resterende verbetermogelijkheden klein. Denny Harmsen: “De impact van een stroomstoring op klant en samenleving is echter groot. Een gemiddelde stroomstoring betekent dat duizend klanten meer dan een uur hinder ondervinden. Daarom hanteert Liander het uitgangspunt dat elke storing er een te veel is. Het Smart Cable Guard-meetsysteem kan minuscule verstoringen in het middenspanningskabelsysteem tot op een meter nauwkeurig detecteren en lokaliseren, waarmee voorspeld kan worden of er binnen enkele weken kortsluiting zal ontstaan. Het systeem geeft dan tijdig een waarschuwing, zodat reparatie kan plaatsvinden voordat de stroomstoring optreedt.”

Liander verwacht veel van de SCG. Niet alleen in terugdringing van het aantal storingen, maar ook ten aanzien van een hogere voorspelbaarheid van de prestaties van het gehele netwerk. Met de verzamelde data wordt tegelijkertijd kennis opgebouwd over faalfrequenties, faalmechanismen en het gedrag van ondergrondse assets (oud én nieuw) voorafgaand aan een storing. Die informatie kan bijvoorbeeld leiden tot onderzoek naar andere technieken of materialen.

Parkeergarage Houtwal

Om in de binnenstad voldoende parkeergelegenheid te creëren zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid van het centrum, heeft de gemeente Harderwijk een nieuwe parkeergarage laten bouwen aan de Houtwal.

De garage is rond, heeft een diameter van 60 meter en biedt plaats aan 450 voertuigen. In het midden heeft hij een groot glazen dak, dat ervoor zorgt dat tot onderin – ruim 21 meter beneden het maaiveld – daglicht valt. De parkeerlagen hebben de vorm van een spiraal en liggen rond de lichtschacht die een doorsnede heeft van 12 meter. Op weg naar beneden komen bezoekers nergens een pilaar tegen. Voor het verlaten van de garage is een aparte rijbaan gemaakt rond de lichtschacht, die automobilisten zonder obstakels naar de uitgang voert.

Automobilisten rijden als in een kurkentrekker naar beneden. (Beeld: Gemeente Harderwijk)

Diepwanden

De garage is aanbesteed als design-and-constructcontract, en ontworpen en gebouwd door bouwcombinatie Houtwal. Voor de bouw zijn diepwanden gemaakt tot een diepte van 24,5 meter, waarbij elk paneel ongeveer 8 meter breed is en 1,2 meter dik. Een rubberen slab tussen de diepwanden zorgt voor een goede waterdichte afsluiting.

Nadat de ring van diepwanden gereed was, is het grootste deel van de grond hydraulisch ontgraven om overlast voor de omgeving door vrachtwagens te voorkomen. Het natte zand is opgezogen en via een persleiding naar een depot verpompt. De leidingen hiervoor zijn tijdelijk in het gemeentelijke riool aangebracht.

Tijdens graafwerkzaamheden zijn resten van een oude stadspoort ontdekt. Deze zijn gerestaureerd en staan tentoongesteld op de onderste verdieping van de parkeergarage.

Onderwaterbeton

De onderste vloer van de garage bestaat uit onderwaterbeton. Om opdrijven van deze vloer te voorkomen zijn ruim 400 GEWI-ankers aangebracht met een lengte van 34 meter. De paalpunten van deze ankers zitten 53 meter onder het maaiveld.

Voorafgaand aan het storten van het onderwaterbeton is een wapeningslaag van een meter dik aangebracht, die ervoor zorgt dat de vloer niet opbolt. Na uitharding van het onderwaterbeton bleek de aansluiting tussen de vloer en wanden nog niet volledig waterdicht. Daarom hebben duikers gaten door het beton geboord en met injectielansen een expanderende tweecomponentenhars geïnjecteerd tussen de vloer en de wanden. Toen de lekkage was verholpen, heeft de bouwcombinatie het water uit de bouwput gepompt en is begonnen met de afbouw.

Eerst is bovenop het onderwaterbeton een constructieve vloer gemaakt van 75 centimeter dik. Vervolgens zijn de middenkoker en de trappenhuizen gebouwd. Vanuit de trappenhuizen zijn de kolommen gesteld waarop de prefab betonnen parkeerdekken steunen. Het betreft acht betonnen kolommen voor de middenring en zestien voor de buitenring. Het niet-glazen deel van het dak bestaat uit ruim vijftig betonnen dakliggers met een gewicht van elk zestien ton. Het dak is voorzien van gras en het glas is beloopbaar om het gebied een parkachtige uitstraling te geven.

Sprinkler-installatie

De parkeergarage is voorzien van energiezuinige, dimbare led-verlichting. In totaal gaat het om 650 led-armaturen die vier standen hebben: 30, 25, 20 en 15 Watt. Verder is de garage uitgerust met een sprinklerinstallatie. Bij brand gaan de sprinklers nabij het vuur direct sproeien, zodat een brand geen kans heeft zich verder te ontwikkelen. Daardoor blijft de temperatuur bij een brand laag en blijft de bouwkundige constructie gespaard. Een ventilatiesysteem zorgt voor de afvoer van rook.

Van stiefkindje naar randvoorwaarde

Ja, het ís druk in de ondergrond. In binnenstedelijk gebied past het niet allemaal lekker meer, het is vaak niet exact bekend wat waar ligt en we weten ook niet altijd wat de status is. Er zijn veel organisaties betrokken bij de ondergrondse infra, maar niemand ‘is ervan’. Dus lossen we het maar per project op. Praktisch, maar inefficiënt en we lopen meerwaarde mis.

Na de privatisering van nutsbedrijven zijn de netbeheerders zelf aan de slag gegaan, met hun consumenten als prioriteit. De nodige infrastructuur wordt door marktpartijen aangelegd, vaak binnen strakke opdrachten die weinig ruimte bieden om het nog nét iets handiger aan te leggen. Als gemeente probeer je regie te voeren, met genoemde betrokkenen en samen met en voor je burgers, maar regie voeren zonder een overall strategie is lastig.

In het project Common ground voor ondergrondse infra gaan we op zoek naar gezamenlijke uitgangspunten en vraagstukken om met elkaar op te pakken. In de gesprekken die we daarvoor voeren, horen we dat mensen buikpijn krijgen van de huidige situatie in combinatie met de opgaven waar we voor staan. Dat zijn geen mensen die met hun buikpijn gaan stilzitten; zij gaan aan de slag, trekken bij projecten samen op en zien dat dit gunstig uitpakt op gebied van geld en tijd. Maar is dat voldoende voor de toekomstige vervangingsopgave, voldoende om de energietransitie te faciliteren, voldoende om ook de klimaatopgave mee te nemen?

Er is meer nodig om de ondergrond nu én in de toekomst voor kabels en leidingen te kunnen gebruiken. We moeten ons met elkaar realiseren dat de ondergrond geen ligplaats is voor wat we kwijt willen, maar een randvoorwaarde voor onze gezondheid en de economie in Nederland. We kunnen voor aardgas alternatieve brandstoffen bedenken, maar het moet wel bij woningen en bedrijven komen, liefst zonder verlies van groen en zonder onnodige kosten.

Met de energietransitie en klimaatopgave als aanjagers is dit hét moment om te acteren. In onze interviews hebben we hiervoor allerlei ideeën en inzichten gehoord. Helpt het als de ondergrond beheerd wordt door een organisatie die dat niet als bijbaan maar als corebusiness doet, en daarop wordt beoordeeld? Is innovatiepartnerschap een middel om tot de benodigde nieuwe technieken te komen? Het is niet alleen aan de mensen met buikpijn om zulke vragen te beantwoorden, zij zijn al druk genoeg op projectniveau en zij missen de strategische positie. Voor dit soort vraagstukken zijn ook anderen aan zet. Kortom, mag dit onderwerp hoog op de bestuurlijke agenda?

Edith Boonsma werkt sinds 2009 bij het COB. Ze is met name betrokken bij de aandachtsgebieden Ordening en waarde en Kabels en leidingen. Ze is projectleider van Common ground voor ondergrondse infra.

Foto: Vincent Basler

Lessen uit de weerbarstige praktijk

Het Flexival was het toneel van een klein feestje. De provincie Zuid-Holland en zeven netbeheerders ondertekenden het Uitvoeringsprotocol kabels en leidingen provincie Zuid-Holland 2019, dat verlegging van kabels en leidingen soepeler moet laten verlopen. Met dit voorbeeld in de hand kunnen andere provincies, maar ook gemeenten en waterschappen, veel sneller tot een werkbare modus komen.

De ondertekening tijdens het Flexival was meer dan symbolisch. Dunea, Evides, Oasen, Stedin, Velin, Liander, Westland Infra en de provincie Zuid-Holland bekrachtigden op deze manier dat samenwerken in de wereld van kabels en leidingen oplossingen kan bieden. Zo werd de noodzaak tot samenwerking die voortdurend ter sprake kwam op het Flexival, door deze partijen ter plaatse ingevuld.

Met het uitvoeringsprotocol (UP) willen de betrokken partijen het verleggingsproces versoepelen en mogelijke risico’s rond uitval van nutsvoorzieningen beperken. Daarnaast heeft de provincie haar regeling voor nadeelcompensatie bij verlegging van kabels en leidingen aan de hand van een evaluatie met de netbeheerders herzien. Alle in Zuid-Holland actieve netbeheerders van nutsvoorzieningen zijn bij het project betrokken. Vanwege het afwijkende wettelijke kader voor telecombedrijven wil de provincie aansluitend een apart UP Telecom afsluiten. Het op 12 april 2019 ondertekende UP omvat een zorgvuldige beschrijving van alle processtappen om het projectmatig werken bij de partijen te synchroniseren. Belangrijker nog is de intentie om geschillen te voorkomen en zo de verlegging als toprisico te elimineren. Voor de netbeheerders is belangrijk dat is overeengekomen om het verleggen van kabels en leidingen zo veel als mogelijk te voorkomen door vroegtijdige betrokkenheid. Voor zowel provincie als netbeheerders geldt dat samenwerking op tactisch en strategisch niveau de volgende stap is.

Ondertekening van het uitvoeringsprotocol op het Flexival. Van links naar rechts: Paul Langereis (Westland Infra), Hugo Pauw (Velin), Renée Lameijer (provincie Zuid-Holland), Gita Hoogeveen (Stedin), Arno Bindt (Evides), Eric van Can (Dunea), Marco Diekstra (Liander), Floor Vermeulen (provincie Zuid-Holland), Eelco Verduin (Oasen). Foto: Vincent Basler

Dat de mijlpaal echt het vieren waard was, bleek uit de toelichting die Renée Lameijer, bestuurlijk-juridisch adviseur Infrastructuur van de provincie, en Eric van Can, procesmanager Projecten bij netbeheerder Dunea, tijdens een parallelsessie verzorgden.

Het begint met koffiedrinken

De basis voor het UP werd al in 2010 gelegd, zo vertelde Eric van Can. In dat jaar introduceerde de provincie een nieuwe nadeelcompensatieregeling die niet goed viel bij de netbeheerders. Eric van Can: “Het leidde tot veel gedoe en escalaties. Verleggingen werden als gevolg daarvan door de provincie als groot risico gezien. De provincie heeft in 2013 het initiatief genomen om te gaan koffiedrinken bij de netbeheerders. Dat is door de netbeheerders als een oprechte uitnodiging ervaren om tot een werkbare situatie te komen. Het heeft geleid tot het Strategisch overlegplatform kabels en leidingen (SOP), met als doel te komen tot vroegtijdige afstemming van de planvorming, een uitvoeringsprotocol en een nieuwe nadeelcompensatieregeling (NKL). Het feit dat we daar zeven jaar over hebben gedaan, geeft aan hoe complex de materie is. De eerste stap is herstel van vertrouwen. Je moet eerst iedereen ruimte bieden om de frustratie van zich af te praten.”

Renée Lameijer: “Afgesproken is dat we functionele, ruimtelijke en financiële knelpunten met elkaar delen en in gezamenlijkheid oplossen. Een ‘Verzoek tot aanpassingen’ (VTA) ontvangen is voor een netbeheerder niet leuk. Maar als het dan zover is, kun je wel samen het proces in om tot een zo goed mogelijke oplossing te komen. Er zijn belangen die per definitie niet met elkaar overeen kunnen komen. Desondanks kun je wel met elkaar verder. Dat heeft geleid tot een onderhandelingsresultaat waarbij is vastgelegd dat het model van het Interprovinciaal overleg (IPO) geldt voor het vergoedingenregime voor kruisende leidingen en dat terughoudend wordt omgegaan met verlegging van bijzondere leidingen. Bijzondere leidingen hebben we gedefinieerd als leidingen waarbij de verlegkosten meer dan een miljoen euro bedragen en enkele specifieke vitale drinkwaterleidingen (‘de slagaders’). Deze zijn ook op kaarten vastgelegd. Verder is afgesproken dat bij een onderliggend commercieel belang – zoals bij een gemeente de ontwikkeling van een woonwijk door een vastgoedontwikkelaar – anders met de NKL kan worden omgegaan.”

“De nieuwe verlegregeling, conform het IPO-model, is per februari 2019 in werking getreden. Dat was een logische stap en is reëler voor de netbeheerders. Bij kruisende leidingen is de toestemmingsdatum voor de kabel of leiding niet langer bepalend voor de vergoeding. We hebben laten doorrekenen dat de extra kosten voor de provincie als gevolg van dit model, afhankelijk van de programmering, naar verwachting twee ton per jaar bedragen. Op basis van die doorrekening zijn de bestuurders overstag gegaan. Tegenover die extra kosten staat een betere samenwerking die leidt tot soepelere projecten zonder juridisch gedoe en bijbehorende vertragingen.”

Vervolg

Na zeven jaar is de conclusie dat de partijen dichter bij elkaar zijn gekomen en dat opschalen van de samenwerking naar tactisch en strategisch niveau gemakkelijker wordt. Zuid-Holland wil het UP onder de aandacht brengen in het provinciaal overleg. De provincie Noord-Holland heeft al interesse getoond voor de aanpak. Eric van Can: “Er hebben zich inmiddels ook gemeenten gemeld die ook door middel van een gezamenlijk opgesteld uitvoeringsprotocol willen komen tot betere samenwerking bij verleggingen.”

Grondscanner levert voor iedereen begrijpelijke informatie

Liander gebruikte al een prototype om huisaansluitingen in beeld te brengen. Gasunie vervangt er fysieke proefsleuven mee door virtuele. Met behulp van automatische objectherkenning kan de nieuwe grondradartechnologie van Gasunie en MapXact (VolkerWessels Telecom) informatie direct én begrijpelijk voor iedereen omzetten naar een tablet of computerscherm. De verwachting is dat de nieuwe grondradartechnologie in oktober 2019 breed beschikbaar zal zijn.

‘Begrijpelijke 3D-plaatjes van de ondergrond’, dat was in 2016 al het doel van een prijsvraag die werd uitgezet in het kader van het Gasunie Network Improvement Program (GNIP). Door een systeem te ontwikkelen dat niet alleen door specialisten kan worden uitgelezen, moest het gebruik van grondradar laagdrempelig worden. Wim van Grunderbeek, projectleider Detectiesysteem voor ondergrondse infrastructuur bij Gasunie, in 2016: “Gasunie zoekt een detectiesysteem dat nauwkeuriger is dan wat er nu op de markt is; een systeem dat op de x-, y- en z-as binnen de vijf centimeter nauwkeurig is, en dat bij voorkeur achter in een busje past, zodat er overal op locatie gemakkelijk mee gewerkt kan worden. We gaan uit van duizenden onderhoudsactiviteiten in de ondergrond. Dat zou betekenen dat we op basis van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) tienduizenden proefsleuven moeten graven, met alle veiligheidsrisico’s van dien. Als we het aantal graafbewegingen met vijfenzeventig procent kunnen reduceren, kunnen we het veiligheidsrisico enorm beperken. En passend in het MVO-beleid van Gasunie beperken we tegelijkertijd de overlast voor de omgeving en laten we minder sporen achter.”

Die techniek lijkt er nu te zijn. Start-up MapXact (onderdeel van VolkerWessels Telecom) won de prijsvraag en heeft het concept verder uitgewerkt. Het resultaat is wat Wim van Grunderbeek gekscherend ‘grondradar voor dummies’ noemt. Uitgangspunt is dat iedereen ermee kan werken, ook zonder een speciale opleiding. Niet alleen in het veld, maar ook verderop in de organisaties van grondroerders, waar de verkregen informatie direct gekoppeld kan worden aan het eigen GIS-systeem. “Binnen Gasunie is inmiddels al een decreet uitgegaan”, zegt Wim van Grunderbeek. “Waar gegraven wordt, wordt eerst gescand. Zo kunnen we gaandeweg alle grondradarscans in onze GIS-systemen verwerken. We kunnen de verschillende kaartlagen over elkaar leggen en hebben ook voor de toekomst beter zicht op wat er in de ondergrond ligt.”

Automatische objectherkenning

Wim van Grunderbeek is tot het najaar van 2019 vrijgemaakt om het project te begeleiden en de belangen van Gasunie te waarborgen. Met de grondradartechnologie van MapXact is het mogelijk twee tot drie meter in de ondergrond te kijken. De detectie van kabels en leidingen is gebaseerd op een serie puntmeldingen. Doordat een kabel of leiding steeds hetzelfde radarbeeld geeft, is het mogelijk de meetpunten aan elkaar te verbinden en de ligging te bepalen. Zo kunnen signalen van kabels en leidingen onderscheiden worden van losse objecten in de ondergrond. De ontwikkelde software zoekt gelijke echo’s van de grondradar bij elkaar en verbindt deze. Wim van Grunderbeek: “Automatische objectherkenning zorgt ervoor dat we niet alleen weten waar iets ligt, maar ook wat het is. Het plaatje van de meting leggen we over dat van de Klic-melding. We hebben de x-,y- en z-coördinaten, kunnen het materiaal toewijzen en kunnen – nu nog met zo’n dertig procent speling – de diameter aangeven. Voor we de nieuwe grondradar kunnen introduceren, werken we nog aan verbetering van de software en het ontwerp van het apparaat en aan het toevoegen van augmented reality. Dat laatste betekent dat men op een tablet de gedetecteerde kabels en leidingen geprojecteerd ziet in het beeld van de bovengrond.”

De afhankelijkheid van een stabiel gps-signaal levert in de praktijk soms problemen op. In stedelijk gebied, tussen hoge gebouwen, is de gps-ontvangst niet altijd gegarandeerd. Op het moment dat de verbinding wegvalt, kunnen de detectiegegevens dan niet gekoppeld worden aan de Klic-melding en de gps-coördinaten. Daarvoor heeft MapXact een doeltreffende mechanische oplossing gevonden. Er is een zogeheten wheel positioning system ontwikkeld. Als de internetverbinding wegvalt, rekent het systeem op basis van het aantal omwentelingen van de wielen terug naar de laatstbekende coördinaten.

Veiliger en goedkoper

De nieuwe technologie moet leiden tot minder graafschade. Naast dit algemene belang heeft Gasunie ook een eigen belang. Wim van Grunderbeek: “Het is belangrijk dat de BV Nederland er beter van wordt. Dit is grondradar voor dummies: iedereen kan ermee werken. Als we hiermee kunnen bereiken dat het aantal graafschades elk jaar met vijf procent daalt, zou dat geweldig zijn. Voor Gasunie betekent deze techniek dat we minder proefsleuven hoeven te graven. Dat is veiliger. En we besparen kosten. Gasunie heeft ongeveer dertienduizend kilometer pijpleiding in Nederland. Regelmatig moet er voor onderhoud gegraven worden en worden er vooraf proefsleuven gegraven. Een proefsleuf kost duizenden euro’s. Met virtuele proefsleuven kunnen we dus flink besparen.”

Onderdelen van het regionale gastransportnet van Gasunie naderen het einde van hun technische levensduur. In heel Nederland gaat het om 2.800 afsluiterlocaties, 80 meet- en regelstations en 1.000 gasontvangstations. De afsluiterlocaties worden doorgaans compleet vervangen. (Foto: afsluiterlocatie Noord-Holland/Gasunie)

Ondanks internationale erkenning voor de grondradar van MapXact in de vorm van de Industry Choice Award (zie kader) ontmoet Wim van Grunderbeek in Nederland nog veel scepsis. Hij is niettemin positief. “We zien toenemende belangstelling vanuit aannemers en netwerkbeheerders zoals Liander.

Doorontwikkeling

Grondradartechnologie werkt het beste in zandgrond. In klei – en zeker zoute, natte klei – kan een grondradar minder diep ‘kijken’. Het verder perfectioneren van de nieuwe technologie voor verschillende grondsoorten is dan ook een van de aspecten waaraan Gasunie en MapXact de komende maanden nog willen werken. Maar er is meer nodig voordat in oktober 2019 een succesvolle introductie kan plaatsvinden. Wim van Grunderbeek: “We gaan wat we zien, steeds beter begrijpen. Dat betekent dat de speling die we nu nog hebben ten aanzien van de diameter, verder omlaag kan. En op termijn kunnen we met behulp van kunstmatige intelligentie werken aan zelflerende herkenningstechniek, waardoor de resultaten steeds nauwkeuriger worden. Verder biedt het nieuwe 5G-telecomnetwerk nieuwe mogelijkheden. Het verwerken van de informatie gebeurt nu nog op het stuur van de grondradar. Dat kan sneller door in de cloud te werken. We beschikken dan over een soort ontwikkelcentrale waar data opgeslagen en gecombineerd kunnen worden.

Ontwikkelen vanuit permanente tijdelijkheid

Herontwikkelingsgebied De Nieuwe Stad in Amersfoort beschikt over een eigen ondergronds warmtenet. De vijfentachtig gebruikers van de terreinen en opstallen van de voormalige Prodentfabriek vormen samen een zo veel mogelijk zelfvoorzienende micro-stad, waarvan een eigen biomassacentrale deel uitmaakt. Ontwikkelend belegger Schipper Bosch beheert het ruim twee hectare grote gebied vanuit een overkoepelende duurzaamheidsvisie.

In drie jaar tijd is de Prodentfabriek getransformeerd tot een nieuw stadsdeel met ruimte om te werken, leren en verblijven; een levendige plek met festivals, een poppodium, een restaurant, gedeelde moestuinbakken en een sterke lokale gemeenschap. De bewoners vormen een mix van grote en kleine bedrijven, afkomstig uit verschillende sectoren, variërend van zakelijke dienstverlening en onderwijs tot horeca en cultuur. De huurprijzen zijn marktconform. De brede mix van activiteiten en het streven om fossiele energiebronnen geheel uit het gebied te bannen, hebben een sterke aantrekkingskracht. Terwijl elders in de stad kantoren en bedrijfspanden leegstaan, geldt voor De Nieuwe Stad een wachtlijst.Uitgangspunt is dat de kwaliteit van het gebied blijft groeien. Dat betekent dat de waarde die een gebied heeft voor de gebruikers, blijft toenemen. Energieneutraliteit met behulp van een ringleiding waar verschillende energiebronnen op aangesloten kunnen worden, speelt daarin een belangrijke rol.

Autonome infrastructuur

Edwin Dalenoord, duurzaamheidsexpert bij Schipper Bosch: “In De Nieuwe Stad zijn we eigenaar van de volledige infrastructuur, inclusief elektriciteit, water, warmte en koeling. Uitgangspunt is dat we het gebruik van fossiele brandstof willen uitbannen. We hebben allerlei alternatieven onderzocht. We hebben bijvoorbeeld gekeken naar biogasvergisting en rioolwarmte, maar voor effectieve toepassing daarvan zijn er te weinig mensen in De Nieuwe Stad. Inmiddels zijn we erachter gekomen dat vlak naast ons terrein een groot hoofdriool loopt, en onderzoeken we de mogelijkheden om daaruit warmte te winnen. In de zomer gebruiken we het net voor koeling, die we onttrekken aan de leidingen voor grondwaterzuivering.”

“Het is enorm verleidelijk om af te wachten en degenen te volgen die het goed doen. Maar dat is niet hoe wij in elkaar steken.”

Bart Schoonderbeek, algemeen directeur van Schipper Bosch, vult aan: “We hebben ook onderzocht of we gebruik konden maken van geothermie op twee kilometer diepte. Dat bleek niet haalbaar, maar ik geloof er heilig in. Als we een paar miljoen over hadden gehad, zouden we het zeker hebben gedaan vanuit de overtuiging dat voldoende mensen zouden aanhaken. Het warmtenet gevoed door een biomassacentrale bleek de beste oplossing, vergde minder kapitaal en is flexibeler. We kunnen vanuit de huidige praktijk veel gemakkelijker aansluiten op nieuwe energieconcepten. Zo kijken we ook naar het gebruik van zonneboilers. Op gebouwniveau krijg je dat niet rond, maar op gebiedsniveau red je het wel. Het is enorm verleidelijk om af te wachten en degenen te volgen die het goed doen. Dan verdien je het meest. Maar dat is niet hoe wij in elkaar steken. Wachten heeft geen zin, je moet het gewoon doen.”

De bewoners krijgen tijdens een rondleiding uitleg over de biosmassacentrale. (Foto: Cees Wouda)

Duurzaam warmtenet

Het warmtenet is aangelegd met behulp van gestuurde boringen. Elk gebouw is met een sub-leiding aangesloten op het centrale circuit. Op het hele terrein zijn langs de gevels leidingstraten vrijgehouden, zodat noodzakelijk graafwerk bij uitbreiding en onderhoud effectief, met zo min mogelijk hinder kan plaatsvinden. De brandstof voor de biomassacentrale wordt nu nog ingekocht. Edwin Dalenoord: “Ons eerste doel was de centrale operationeel te maken. We zijn nu aan het onderzoeken hoe we in dat proces nog verder kunnen verduurzamen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van groen- en houtafval van de gemeente, hoveniersbedrijven en aannemers. Dat levert maximaal tweehonderd ton op, terwijl we duizend ton nodig hebben. We schalen dus langzaam op. We hebben ervoor gekozen om een biomassaketel te kopen en gewoon te beginnen, en kiezen daarmee dus ook bewust voor een leerproces.”

Permanente tijdelijkheid

De Nieuwe Stad is in alles een lerend project, waarbij aansturing plaatsvindt op basis van de ontwikkelingen van vandaag. De achterliggende droom, gebaseerd op herontwikkeling vanuit de menselijke maat en duurzaamheid, is rotsvast verankerd in de organisatie, maar de weg ernaartoe wordt bepaald door ontwikkelingen en ervaringen. Bart Schoonderbeek: “Het gaat niet om stenen. Dat is dood materiaal. Een gebied als dit is een levend organisme. We hebben De Nieuwe Stad ontwikkeld vanuit hoe we zelf in een stad willen wonen. We denken niet vanuit stenen, maar vanuit mensen. We willen dromen verbinden. We willen mensen in staat stellen hun eigen omgeving mede vorm te geven. Daarvoor moeten gebieden autonoom en begrijpbaar zijn.”

De keuze van Schipper Bosch betekent een bewuste keuze voor vallen en opstaan, maar geeft tegelijkertijd een enorme dynamiek. Bart Schoonderbeek noemt het ‘permanente tijdelijkheid’. “De gewenste kwaliteit is uitgangspunt. Die ambitie is ononderhandelbaar. We zijn vrij recalcitrant. Dat betekent dat we steeds een hele weg te gaan hebben om iedereen te overtuigen. Maar de permanente tijdelijkheid stelt ons in staat om dagelijks bij te sturen. Dat is van enorme meerwaarde.”

De biomassacentrale wordt gevoed door met name houtsnippers en restafval van timmerfabrieken in de omgeving. (Foto: Cees Wouda)

Arnhem, Ondergronds afvaltransport

Arnhem is na Almere de tweede Nederlandse stad met een ondergronds afvaltransportsysteem (OAT). De uitvoering van het masterplan Arnhem Centraal, dat was gericht op een grondige herstructurering van het Arnhemse stationsgebied, is benut voor het aanleggen van dit systeem.

(Foto: Jorrit Lousberg)

Het OAT in Arnhem bestaat globaal uit drie onderdelen: inwerppunten met openingen voor twee verschillende afvalfracties (restafval, en papier en karton), een eindstation met een centrale afzuiginstallatie en een ondergronds netwerk van stalen buizen voor het transport van het afval vanaf de inwerppunten naar het eindstation bij de Zypse Poort.

Het netwerk is opgedeeld in verschillende secties die afzonderlijk in- en uitgeschakeld kunnen worden. De buizen hebben een diameter van vijftig centimeter en zijn in totaal circa 1,2 kilometer lang. Ze lopen voor een deel, samen met andere ondergrondse kabels en leidingen, door een apart aangelegde kabel-en-leidingentunnel.

Werking

Afval dat bij een inwerppunt wordt aangeboden, wordt tijdelijk in een buffer onder dit punt opgeslagen. Is deze buffer vol, dan start de centrale ‘stofzuiger’ automatisch op. Als de luchtsnelheid in het betreffende deel van het netwerk hoog genoeg is – circa 70 kilometer per uur – openen kleppen aan de onderzijde van de buffer en valt het afval in de afvoerbuis. Via deze buis wordt het vervolgens afgezogen naar het eindstation, waar het per afvalsoort wordt verzameld in een perscontainer. Als een container bijna vol is, krijgt het afvalverwerkingsbedrijf een oproep om hem af te voeren.

Een belangrijk voordeel van het systeem is dat gebruikers afval 24 uur per dag kunnen aanbieden en de inwerppunten nooit vol zitten. Dat vermindert de kans op zwerfvuil. Daarnaast zorgt het systeem ervoor dat in het drukke gebied rondom het
station geen vuilniswagens hoeven te rijden.

Het eerste deel van het OAT is in 2006 in gebruik genomen. Toen waren alleen de kantoorpanden Park- en Rijntoren aangesloten. Inmiddels is het systeem fors uitgebreid en wordt ook het afval van andere kantoorpanden, circa 150
appartementen, de Pathé-bioscoop, een vestiging van McDonald’s en van de nieuwe OV-terminal en fietsenstalling via het OAT afgevoerd. De hoge deelnamegraad heeft de gemeente Arnhem bereikt door alle bedrijven en projectontwikkelaars in het stationsgebied te verplichten hun panden op het OAT aan te sluiten. Per jaar wordt er circa 500 ton afval ondergronds afgevoerd.

Optimalisatie

In 2015 heeft CentralNed het Arnhemse systeem geoptimaliseerd. De motoren die de afzuiging aandrijven, zijn voorzien van frequentieregelaars. Dat maakt het mogelijk om het ingeschakelde vermogen nauwkeurig af te stemmen op de gewenste zuigkracht. Verder is de starttechniek verbeterd. Deze maatregelen zorgen voor een energiebesparing van ongeveer vijfendertig procent.

Onderzoek naar kosten toont vooral complexe wereld

Gebiedsontwikkeling kan slimmer. Voorzieningen als mantelbuizen en kabels-en-leidingentunnels kunnen voorkomen dat de straat geregeld open moet, maar toch worden ze niet en masse aangelegd. Een belangrijke oorzaak lijkt een gebrek aan inzicht en balans tussen betalen en genieten: degene die moet investeren, krijgt er te weinig voor terug. Een COB/SKB-consortium probeerde de kosten en dekking van kosten inzichtelijk te krijgen.

Eind april 2013 werd de ontwerp-Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere- Markermeer aangeboden aan de Tweede Kamer. Hierin staat: ‘Het Rijk kiest in deze structuurvisie voor een organische ontwikkeling met een gefaseerde aanpak. Dit betekent dat er geen vaststaand eindbeeld of vaste einddatum voor de ontwikkeling wordt vastgelegd, maar dat op adaptieve wijze, stap na stap, naar het toekomstperspectief wordt toegewerkt. De marktvraag naar woningen en bedrijfslocaties is sturend.’ De vraag hoe zal worden omgegaan met de ondergrond, bijvoorbeeld voor het aanleggen van kabels en leidingen, komt niet ter sprake. Terwijl nutsvoorzieningen toch cruciaal zijn om te kunnen wonen, werken en recreëren.

“Dit voorbeeld staat niet op zichzelf. Bij het (her)inrichten van een gebied is het vaker de vraag of er een optimaal resultaat wordt behaald; misschien is er voor alle betrokken partijen meer winst te behalen als we slimmer zouden omgaan met de kosten. Niet alleen wat betreft financiële opbrengst, maar ook aan winst in comfort”, aldus Richard van Ravesteijn, coördinator Kabels en leidingen bij het COB. In 2010 is daarom een consortium van COB-partijen met deze probleemstelling aan de slag gegaan. Het doel was om inzicht te verschaffen in de kosten die gemoeid zijn met investeringen in energie- en nutsinfrastructuur in relatie met gebieds- en gebouwontwikkeling, inclusief een voldoende inzicht in de dekking van de kosten. Van Ravesteijn: “Dit inzicht is noodzakelijk om maatschappelijke optimalisatie bij gebiedsontwikkeling mogelijk te maken.”

Onbekend maakt onbemind

Uit het onderzoek blijkt dat er grofweg drie partijen betrokken zijn bij gebiedsontwikkeling: de gebiedsontwikkelaar (vaak de gemeente), de netbeheerder en de vastgoedontwikkelaar. In praktijk hebben deze partijen echter verschillende belangen en eigen verdien- en exploitatiemodellen, wat het lastig maakt om gezamenlijke oplossingen en investeringen te realiseren.

Grondexploitatie (GREX), bouwexploitatie (BEX) en vastgoedexploitatie (VEX) komen samen bij gebiedsontikkeling. (Beeld: rapportage ‘Verdienstelijke netwerken’)

Voor het verwezenlijken van initiatieven als bundeling van kabels en leidingen moet de gemeente nu vaak het voortouw nemen, zowel in organisatie als financiering. De complexe situatie heeft ook tot gevolg dat het moeilijk is om inzicht te krijgen in de kosten en dekking van kosten. Om deze reden is er in het onderzoek uiteindelijk alleen naar de kwalitatieve kant van het vraagstuk gekeken.

Er zijn vijf projecten onderzocht waarbij de exploitatie van ondergrondse infrastructuur voor uitdagingen zorgde. “De centrale vraag lijkt te zijn: is bundeling goedkoper of duurder in dichtbebouwd gebied?”, vertelt Van Ravesteijn. “De nabijheid van consumenten kan een voordeel zijn voor conventionele aanleg van kabels en leidingen; mogelijk dat netbeheerders daarom terughoudend zijn met het investeren in hoogwaardige oplossingen. Het is de vraag of netbeheerders zich bewust zijn van de kosten van graven in de grond, eventuele graafschade en de extra kosten die daarmee gepaard gaan.”

Gemeenten en ingenieurs beoordelen bundeling in dichtbebouwde gebieden juist als gunstiger dan conventionele aanleg. Dit met name vanwege de grote hoeveelheid kabels en leidingen en de ordening die met bundeling in de ondergrond tot stand wordt gebracht. Een betere documentatie van gebiedsspecifieke informatie door de netbeheerder kan leiden tot een verhoogd bewustzijn van de kosten, waardoor het draagvlak voor hoogwaardige oplossingen voor kabels en leidingen (zoals bundeling) zal toenemen.

Oplossingen

Bij de onderzochte praktijkprojecten werd op verschillende manieren gezocht naar samenwerking. Zo is voor het project Nieuw Den Haag een convenant opgesteld, voor de Boulevard Scheveningen een intentieverklaring tot graafrust en voor de ILT Mahlerlaan een gebruikersovereenkomst. De manier waarop afspraken worden gemaakt, hangt samen met de verschillen tussen gemeenten ten aanzien van het beleid voor kabels en leidingen (verordening, precarioregeling en nadeelcompensatie). “Door het maken van afspraken komen de verschillende maatschappelijke belangen van gemeenten en netbeheerders samen (bijvoorbeeld: overlast omgeving en leveringszekerheid). Dit draagt bij aan een betere balans tussen betalen en genieten”, aldus Van Ravesteijn.

Lees meer over de integrale leidingtunnel voor Den Haag Nieuw Centraal in de Verdieping van december 2012. (Foto: IbDH)

Aanzet

De uitkomsten van het onderzoek worden in juni 2013 gepresenteerd in het rapport Verdienstelijke netwerken. Van Ravesteijn licht toe: “De rapportage richt zich met name op de beleidsmakers en economen vanuit overheid, netbeheerders en vastgoedontwikkelaars. Zij krijgen hiermee beter zicht op de omgeving waarin kabel- en leidingvraagstukken zich afspelen. Daarnaast hopen we dat het rapport zal aanzetten tot nadenken en discussie, zodat het mogelijk wordt alsnog een kwantitatief onderzoek uit te voeren. Daarmee kunnen we echt stappen zetten richting maatschappelijke optimaliteit bij de aanleg van kabels en leidingen bij gebiedsontwikkeling.”

Pionieren met waterleidingen

Dunea heeft een nieuwe techniek ontwikkeld om distributieleidingen voor drinkwater goedkoper en met minder overlast voor bewoners te saneren. Door een stevige ballon op te blazen in de leiding, hoeft het water voor andere aansluitingen op dezelfde leiding niet te worden onderbroken. Zo kan een leiding in kleinere delen worden vervangen.

Op de IJsselkade in Leiden zijn Dunea-monteurs Peter van de Burg en Mario Kreber al vroeg bezig met de voorbereidingen. Er moet over een lengte van dertig meter een gietijzeren leiding worden vervangen. Nadat de waterleiding met een graafmachine is blootgelegd, wordt een gat in de oude distributieleiding geboord. Daarna brengen de monteurs via het gat een blaas (ballon) in de buis. De blaas wordt opgepompt en sluit de buis luchtdicht af. Vervolgens kan de oude buis worden verwijderd. Op de nieuwe leiding komt een speciale afsluitbare koppeling, waarop de volgende dag wordt voortgebouwd. Het is een nieuwe techniek waarmee Dunea nu ervaring opdoet.

“Geweldig. Je hoeft geen noodleidingen meer aan te leggen”, zegt Peter. “Bovendien zitten onze klanten minder lang zonder water. In plaats van een hele wijk af te sluiten, hoeven we alleen het water in de straat waar we de leiding vervangen tijdelijk af te sluiten.”

Geen noodleiding

Het idee ontstond binnen MOC-operationeel, de afdeling die nadenkt over materialen en methodieken. André Koning en Michel Helgers werkten het verder uit: “We wilden een manier bedenken om distributieleidingen te saneren zonder aanleg van noodleidingen. Een noodleiding leggen en weer weghalen, betekent veel graafwerkzaamheden, en het bedraagt al snel een derde van de totale saneringskosten. Bovendien wordt de noodleiding vaak maar één keer gebruikt en daarna weggegooid. Werken zonder noodleidingen is dus minder belastend voor het milieu.”

Per jaar vervangt Dunea vijfendertig kilometer aan leidingen in vele projecten. Peter: “We vervangen met de nieuwe methodiek gemiddeld dertig tot veertig meter op een dag. In de pilot testen we onder meer hoe de blaas zich houdt bij gietijzeren leidingen. De binnenkant van dit type leidingen is soms wat ruw. We testen of de blaas daartegen bestand is en niet beschadigt raakt of knapt. Tot nu toe is dat niet gebeurd. De eerste bevindingen zijn positief!”

Om half twaalf ’s ochtends is de dagproductie van de pilot al gehaald: dertig meter oude distributieleiding is vervangen door een nieuwe pvc buis met een diameter van honderdtien millimeter. Daarna kan de graafsleuf weer dichtgegooid worden met zand. De mannen nemen na gedane arbeid eerst even pauze in de schaftkeet met koffie en een paar flinke boterhammen met spek. André Koning vertelt dat ze de nieuwe techniek al een naam hebben gegeven: de HELKO-methodiek. “HEL is van Helgers en KO is van Koning”, legt Andre glimlachend uit.

Reacties

Het is goed mogelijk dat de techniek straks in het hele land navolging krijgt. Andere waterbedrijven kwamen al langs op de IJsselkade om te kijken hoe de techniek werkt. Een klantbelevingsonderzoek maakte ook onderdeel uit van de pilot. In de nabijgelegen Spaarnestraat vertelde een bewoner: “Het is gebruikelijk dat bij het vervangen van de leidingen de straat twee tot drie keer open gaat, maar bij ons was het binnen een dag gepiept. ’s Ochtends werd de straat opengebroken en toen ik ’s middags van mijn werk thuiskwam, lagen de stoeptegels er alweer in.”

Omdat het water tijdelijk wordt afgesloten en het een pilot is, stelt Dunea waterflessen beschikbaar voor de bewoners. De volgende ochtend wordt het water bemonsterd volgens de standaardprocedure. De bewoners krijgen het advies om de eerste vier dagen alleen water te drinken nadat het is gekookt. “Ik hoorde van mijn vrouw dat het water slechts kort is afgesloten”, aldus de bewoner. “Ze hielden ons netjes op de hoogte.”

Peter en André brengen de blaas in de buis. (Foto: Dunea)

Dit was de Onderbreking Kabels en leidingen

Bekijk een ander koffietafelboek: