Loading...

De Onderbreking

Verbinden

Verbinden

Nu nog is de stad een lolly op een stokje

Assen, Drents Museum

Rotterdam kiest voor de verbeelding

DBFM contract tweede coentunnel

Maastunnel: veilig, functioneel monument

Harderwijk, Parkeergarage Houtwal

Tunnelstandaard in de praktijk

Serious game Terra Tactica

Kennisbank

Verbinden

Uit de trends blijkt dat de complexiteit van ondergrondse opgaven alleen maar groeit. Complexiteit vraagt niet alleen om een integrale aanpak en een integraal ontwerp. Adaptief ontwikkelen en ontwerpen zal het uitgangpunt worden, naast het innovatief combineren van vakgebieden. Voor het COB betekent dit dat projecten gericht op het leren samenwerken en het ontwikkelen van ‘zachte vaardigheden’ nog belangrijker worden. Hierbij gaat het vaak om het combineren van sociale intelligentie en technische intelligentie. Zelfs vakgebieden die dicht naast elkaar werken, zoals de mensen van de ondergrond en de ruimtelijke ontwikkelaars, vinden en begrijpen elkaar niet zomaar, en vaak al helemaal niet in een vroeg stadium van gebiedsontwikkeling.

Daarnaast is er de zoektocht naar effectieve manieren om bestaande kennis vast te houden, nieuwe kennis te ontwikkelen en beide bij betrokkenen te laten doorwerken. Ook hier is verbinden het toverwoord: kennis moet ‘stromen’ om ervan te leren en als sector vooruitgang te boeken. Daarbij moet ook naar het buitenland worden gekeken; kennisontwikkeling stopt niet bij de landsgrenzen. Internationaal ervaringen uitwisselen en samenwerken draagt in alle landen bij aan een hoger kennisniveau. Het COB ziet zichzelf als dé partij om deze opgave voor het vakgebied ondergronds bouwen op te pakken en samen met het netwerk uit te werken.

Er ontstaan ook ‘verbindingsopgaven’ door de toenemende invloed van ICT. Niet alleen binnen tunnelveiligheid, maar ook op het gebied van kabels en leidingen moeten verschillende vakgebieden vaker met elkaar samenwerken. Alles heeft intelligentie, alles heeft sensoren; de rol van experts verandert. Gaat open source technologie zijn intrede doen in de sector? Er komt monitoringdata uit diepwanden, kabels en leidingen, tunnelboormachines, gebouwen en de ruimte: wie maakt van data kennis, waar leggen we ervaringen vast? Wat zou er gebeuren als we meer data gaan delen? Zowel op de TU Eindhoven als bij de UvA zijn hoogleraren Big data aangesteld. Welke kansen zien zij voor de wereld van het ondergronds bouwen? Het COB heeft de ambitie om het netwerk uit te breiden met participanten die niet rechtstreeks betrokken zijn bij ondergronds bouwen, maar er wel mee te maken hebben, zoals energiebedrijven. Op die manier kunnen de opgaven effectiever opgepakt worden.

Het verbinden van vakgebieden is een methode om een verbeterslag te maken. Er is veel interessante kennis binnen hele andere vakgebieden: kennis uit de medische wereld kan ons helpen omgaan met de complexiteit van kabels en leidingen, de landbouw is sterk in het snel doorvoeren van innovaties, chemische installaties leren ons hoe je risicomanagement professionaliseert. We denken dat het COB als belangrijke taak heeft om deze kennis en ervaringen te presenteren en ons netwerk te prikkelen er gebruik van te maken. We zijn ervan overtuigd dat ook hier de 80/20-regel geldt: tachtig procent van de kennis is er al (in andere vakgebieden) en wij moeten ons concentreren op de twintig procent unieke kennis die de wereld van het ondergronds bouwen nodig heeft.

'Nu nog is de stad een lolly op een stokje'

Het is een tracé van ‘maar’ 3,8 kilometer. Toch is de Rotterdamsebaan een project met een grote impact voor Den Haag. De weg moet de dagelijkse congestie op de Utrechtsebaan en de daarmee samenhangende problemen als sluipverkeer en luchtkwaliteit flink verminderen. Met een begroting van 610 miljoen (prijspeil 2012) is het bovendien het grootste project dat ooit door de stad is uitgevoerd.

“De Rotterdamsebaan is absoluut noodzakelijk voor de verdere ontwikkeling van Den Haag”, zegt Boudewijn Revis, wethouder Binnenstad, Stadsontwikkeling, Kerngebieden en Buitenruimte van de gemeente Den Haag. “In een stad die groeit en zijn inwoners een aantrekkelijk woonklimaat biedt, is verbetering van de bereikbaarheid cruciaal. Nu nog is de stad een lolly op een stokje, waarbij de A12 de belangrijkste toegangsweg is. Daar passeren bijna 100.000 forenzen per dag. Met de Rotterdamsebaan komt er een tweede zogeheten ‘inprikker’ op de centrumring, die zeker als straks ook de A4 klaar is, een belangrijke functie krijgt. De A12 en het noordelijke deel van de centrumring worden ontlast.”

“Den Haag heeft de afgelopen jaren een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Sinds een jaar of tien, vijftien, is het een groeiende stad, waar zich steeds meer grote bedrijven en internationale instellingen hebben gevestigd. De economie, de werkgelegenheid en de bouwactiviteiten zijn toegenomen. Natuurlijk merken we ook hier dat het crisis is, maar de langetermijnontwikkeling is enorm positief. Maar dat kun je alleen volhouden als de bereikbaarheid van de stad goed is. Dat geldt voor alle modaliteiten. Naast verbetering van het openbaar vervoer met de komst van RandstadRail en de samenwerking tussen NS en HTM heeft het wegvervoer prioriteit. Het woonklimaat is bepalend voor het succes van een stad, maar dan moet de bereikbaarheid ook op orde zijn.”

Regionaal belang

De financiering van de Rotterdamsebaan wordt voor vijftig procent gedekt door het Rijk. Daarnaast nemen het stadsgewest Haaglanden en de stad Den Haag ieder vijfentwintig procent voor hun rekening. De uitvoering is voor rekening en risico van de gemeente Den Haag. “Daaruit blijkt het bredere belang van de Rotterdamsebaan in de drukst bereden regio van Nederland”, stelt projectdirecteur Paul Janssen. “Men heeft het ervoor over, omdat iedereen het probleem ziet en weet dat een project als dit in zo’n dichtbebouwde omgeving geld kost. De Rotterdamsebaan is bovendien veel meer dan een tunnel. De rest van het tracé, met open bakken en veel kruisingen, is minstens zo ingrijpend.”

Waardecreatie

Wethouder Revis: “Het project levert extra’s op voor de stad. Aan de Binckhorstzijde kan, nu het tracé bekend is, al een begin worden gemaakt met de verdere herinrichting. Er liggen kansen voor bedrijventerrein Binckhorst, zeker als de aansluiting op de A4 en A12 beter is geregeld. Mensen die het lef hebben om tien jaar verder te denken, zien de mogelijkheden van dit gebied. Ik zeg: durf te dromen. Ik ben ervan overtuigd dat de Binckhorst zich voorspoedig zal ontwikkelen. De Rotterdamsebaan speelt daarin een belangrijke rol.”

Paul Janssen: “De ambities voor dit project strekken verder dan een verbinding van A naar B. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de verlenging van de tunnel met driehonderd meter boven op wat technisch gezien puur noodzakelijk was. Het is een bestuurlijk compromis dat inpassing in de Vlietzone bij Leidschendam-Voorburg en Rijswijk mogelijk maakt.” Boudewijn Revis: “Zo ontstaan aan de kant van de A4, waar je de stad binnenkomt, bij de Vlietzone nieuw water en groen. Daar verenigen we het nuttige met het aangename en kunnen we de kwaliteit van de leefomgeving verbeteren.”

Paul Janssen: “Een project als de Rotterdamsebaan is niet alleen een kostenpost. De inpassing in de Vlietzone creëert extra waarde voor de regio. In delen van de drie betrokken gemeenten neemt sluipverkeer af, vermindert de geluidshinder en verbetert de luchtkwaliteit.”

Nadruk op duurzaamheid

De duurzame landschappelijke inpassing past in de duurzaamheidsvisie van de gemeente. Den Haag wil in 2040 klimaatneutraal zijn. Die ambitie is terug te vinden in de tracékeuze en de nadruk op duurzaamheid als een van de EMVI-criteria bij de aanbesteding van het project. Wethouder Revis: “Het biedt innovatieve bedrijven kansen om zich op het gebied van duurzaamheid te profileren en het biedt ons de kans ervan te leren ten behoeve van toekomstige projecten.”

Paul Janssen: “Duurzaamheid is een containerbegrip. Als je aanbiedingen van marktpartijen wilt afwegen, zul je eerst moeten benoemen waar je het over hebt. Bovendien wilden we voorkomen dat we in een of ander rekenmechanisme terecht zouden komen. We wilden de markt als het ware dwingen tot creativiteit. Met die vraag zijn we naar het COB en professor Marcel Hertogh gegaan. Daaruit is een expertteam Duurzaamheid ontstaan, dat projectonafhankelijke criteria voor duurzaamheidsaspecten heeft opgesteld voor het ontwerp (civiel en tunneltechnische installaties), de bouwaanpak, beheer en onderhoud en de omgevingseffecten (luchtkwaliteit, impact op de omgeving). Daarbij is overigens nadrukkelijk gesteld dat de uitkomsten breder toepasbaar zouden moeten zijn dan alleen voor de Rotterdamsebaan. De Rijnlandroute en de Blankenburgtunnel komen er immers ook aan.”

“Wij hebben vijf criteria uit het rapport van het expertteam opgepakt en meegenomen in de aanbesteding”, vervolgt Janssen. “Geluid, luchtkwaliteit, energie, inpassing en natuurlijke grondstoffen. Daarvoor hebben we objectieve maatstaven kunnen formuleren. We vragen in de aanbesteding nadrukkelijk om een samenhangende visie op dit gebied. En het feit dat in de aanbesteding ook vijftien jaar onderhoud en het voldoen van de energierekening zijn opgenomen, garandeert dat maatregelen concreet en toerekenbaar kunnen worden gemaakt. Uit de eerste gesprekken met gegadigden blijkt ook dat de handschoen wordt opgepakt.”

Het opnemen van duurzaamheidscriteria in de aanbesteding moet leiden tot extra waardecreatie. Met dat doel zijn nog drie EMVI-criteria benoemd: toekomstwaarde, geluid, luchtkwaliteit, materiaal- en grondstoffengebruik en energieverbruik. Paul Janssen: “Het gaat om meer dan een tunnelbak met tunneltechnische installaties. Je wilt voldoen aan de eisen van beschikbaarheid, en dat lukt alleen goed als je je daar vanaf het eerste moment bewust van bent. De criteria voor risicobeheersing komen tot stand in een concurrentiegerichte dialoog en gaan over de mate waarin contractpartijen bereid zijn geconstateerde risico’s over te nemen. Het laatste, hinderbeperking, heeft te maken met allerlei aspecten in de uitvoeringsfase. Het gaat dan bijvoorbeeld over beïnvloeding van het gebruik van het rijkswegennet, het regionale wegennet en het openbaar vervoer, de bereikbaarheid van Binckhorst, inpassing in het landschap en het omgaan met de belangen van bijvoorbeeld familiepark Drievliet en de golfbaan.”

Assen, Drents Museum

Het Drents museum staat in het historische centrum van Assen op de plek van het voormalig klooster Maria in Campis. Toen het museum moest worden uitgebreid was duidelijk dat er binnen het oude kloostercomplex geen ruimte was. Architect Erick van Egeraat vond de oplossing in de ondergrond: hij ontwierp een nieuwe ondergrondse vleugel voor het museum net buiten het kloostercomplex.

Op 16 november 2011 heeft toenmalige Hare Majesteit Koningin Beatrix het vernieuwde Drents Museum geopend. De nieuwe ondergrondse uitbreiding heeft een oppervlak van in totaal tweeduizend vierkante meter. Daarvan komt de helft voor rekening van de nieuwe expositievleugel. Naast deze vleugel heeft het museum ook een nieuwe entree, een café en een grotere museumwinkel gekregen.

Nieuwe vleugel Drents Museum. (Foto: J. Collingridge)

Bouwkuip

Voor de bouw van de ondergrondse uitbreiding moest een grote bouwkuip worden gemaakt, bestaande uit twee rechthoekige delen die schuin achter elkaar liggen en via een relatief smalle sleuf met elkaar zijn verbonden. Door gebruik te maken van een waterdichte laag potklei op een diepte van achttien meter, was bronbemaling in de kuip niet nodig.

Vanwege het risico op schade aan de nabij gelegen monumentale bebouwing zijn voor de realisatie van de wanden van de bouwkuip drie verschillende technieken gebruikt. Voor het deel van de kuip dat het verst van de monumentale gebouwen af ligt zijn damwandplanken ingetrild, nadat de grond was losgeboord. Dichterbij, waar de kuip tussen de gebouwen ligt, zijn soilmix-wanden gemaakt. Bij deze trillingsvrije techniek is de lokale ondergrond met een frees tot in de laag potklei losgewoeld en vermengd met een cementmix, waardoor een stevige grond- en grondwaterkerende constructie is ontstaan.

De derde techniek, jetgrouten, is gebruikt voor het gedeelte van de bouwkuip dat onder het bestaande monumentale hoofdgebouw ligt. Ook dit is een trillingsvrije techniek. Via gaten in de vloer is met injectielansen een groutspecie onder hoge druk in de grond onder het gebouw geïnjecteerd. De groutkolommen die op deze manier zijn gevormd, hebben een diameter van circa 1,5 meter en een lengte van 13 meter. Om de stabiliteit van de verschillende delen van de bouwkuip te garanderen, zijn tijdelijk stempels geplaatst.

Koetshuis

Op de plek waar de bouwkuip moest komen stond een monumentaal koetshuis. Om de kuip te kunnen maken, is dit koetshuis opgevijzeld, voorzien van een stalen draagframe en vervolgens over een afstand van circa 25 meter verplaatst en daar tijdelijk ‘geparkeerd’. Nadat de ondergrondse bouw gereed was, is het koetshuis weer naar zijn oorspronkelijk plek geschoven. Daar is het een meter opgetild en op een glazen plint is geplaatst.

Het koetshuis – dat tussen het hoofdgebouw van het museum en de nieuwe vleugel in staat – is de entree voor het vernieuwde museum. Via een fraai vormgegeven trap dalen de bezoekers hier af naar de ondergrondse centrale hal, die volledig onder het maaiveld ligt. De glazen plint zorgt ervoor dat in deze hal daglicht naar binnenvalt. Vanuit de hal kunnen bezoekers twee kanten op, naar de nieuwe ondergrondse vleugel of naar de trap en lift die toegang bieden tot de exposities in het hoofdgebouw. De gehele ondergrondse ruimte is in wit uitgevoerd en valt op door vloeiende vormen en statige kolommen.

Het dak van de nieuwe ondergrondse expositievleugel steekt iets boven het maaiveld uit. Het is opgebouwd uit vier verspringende dakvlakken die ruimte bieden aan verticale lichtstroken. Via deze lichtstroken valt er indirect daglicht in de expositieruimte. Voor de dakconstructie zijn stalen liggers gebruikt. Op het dak is een openbare tuin aangelegd.

Aanleg daktuin (Foto: Drents Museum)

Rotterdam kiest voor de verbeelding

Dromen is een woord dat regelmatig terugkomt in een gesprek met Ignace van Campenhout, Kees de Vette en Petra van der Lugt van Ingenieursbureau Rotterdam. Zij werken al langer aan het zichtbaar maken van de ondergrond en het betrekken van die ondergrond bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad. Nu hebben zij hun pijlen ook gericht op bestuurders en jongeren.

Bijna drie jaar geleden presenteerde Ignace van Campenhout tijdens het COB-congres al de ‘stoplichtenkaart’; een eenvoudige hulpmiddel dat planontwikkelaars in een oogopslag laat zien waar je makkelijk iets in de ondergrond kunt doen en waar je zeker voor hoge kosten komt te staan. Er werd ook een begrippenkader ontwikkeld, waarbij begrippen uit respectievelijk de planologie en de ondergrond in een matrix tegen elkaar worden afgezet.

Anno 2013 zijn het nut en het belang van deze aanpak in de praktijk aangetoond. Met de stoplichtenkaart en wat daarna volgde heeft de ondergrond steviger op de kaart gezet. Ignace van Campenhout: “In de matrix wordt duidelijk waar de belangen van de verschillende disciplines elkaar versterken en waar ze elkaar juist in de weg zitten. Afstemming is niet voor elke postzegel noodzakelijk. Maar waar afstemming aan de orde is, gebruiken we dit systeem. Dat is als verplichting vastgelegd. We maken er nu ook gebruik van bij de ontwikkeling van de projecten Stadshavens, Central District, het Masterplan Ondergrond Binnenstad en Hart van Zuid.”

Verleiden

Een en ander was onderdeel van een bewustwordingsproces dat al in 2005 door het toenmalige ministerie van VROM werd aangeslingerd met het programma Ruimtelijke Ordening Ondergrond. Samen met Utrecht, Enschede en Arnhem nam Rotterdam het voortouw om de ondergrond zichtbaar te maken en inzicht te geven in kosten en baten. Ignace van Campenhout: “Dat was voor ons het startpunt om integraal naar de ondergrond te gaan kijken. De primaire vraag luidde toen: ‘Hoe kunnen we gebiedsontwikkelaars verleiden om de beschikbare informatie over de ondergrond vroegtijdig te gaan gebruiken?’ We organiseerden sessies met kaarten met levende legenda’s. En we zijn er na aanvankelijke scepsis daadwerkelijk in geslaagd plannenmakers te verleiden. Maar er kwamen ook andere zaken naar boven, waardoor we ons realiseerden dat het onvoldoende meewegen van de ondergrond in besluitvorming een communicatieprobleem is.”

“We kwamen tot de conclusie dat we eerder in het proces moesten instappen. Daaruit is de serious game ontstaan; een 3D-omgeving voor bestuurders. Daarmee kunnen we eenvoudig laten zien welke keuzes er zijn. Er zit een rekenmodel achter. Als je iets aanpast, zie je meteen de consequenties daarvan. De basis is een 3D-model met alle functies, vergelijkbaar met de SKB-BodemTool, waar een gameschil omheen is gebouwd. In de uitvoering is samengewerkt met TNO, Deltares, Ambient, Tygron en het COB. In het voorjaar van 2013 zijn we daadwerkelijk begonnen met het bouwen van de serious game. We verwachten dat een en ander medio 2014 is afgerond.”

“Bestuurders overtuigen is al een stap verder terug in het proces. Maar we wilden verder. Naar middelbare scholen. Naar het moment voordat bestuurders bestuurders worden. Als je medestanders wilt, moet je ervoor zorgen dat mensen goed zijn voorgelicht. De verbeelding is de basis. We willen ze laten dromen. Net als een architect met een droom kan overtuigen om een toren op Zuid te bouwen, willen wij mensen naar de mogelijkheden van de ondergrond laten kijken. Steeds weer samen kijken naar wat er mogelijk is.”

GeoWeek

Het programma voor het benaderen van jongeren staat nog in de kinderschoenen, maar er zijn al wel veelbelovende initiatieven ontwikkeld. Zo werd in april 2013 in het kader van de GeoWeek een rondleiding samengesteld.

Het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) heeft samen met een veertigtal organisaties de GeoWeek opgezet om binnen het vak aardrijkskunde praktisch aan te sluiten bij de huidige maatschappelijke en economische ontwikkelingen. (Foto: Peter Dorsman)

Leerlingen van het Develstein College uit Zwijndrecht en hun leerkracht aardrijkskunde verkenden het centrum van Rotterdam en stonden stil bij archeologie en ondergrondse bouwwerken en infrastructuur. Vooraf klassikaal opgestelde vragen over grondstoffen, aardbevingen, vervuiling, kabels en leidingen, verzakkingen en nog veel meer werden tijdens de rondleiding beantwoord. Aardrijkskundedocent Willy Diekerhof: “Wij hebben het als heel bijzonder ervaren om een educatief uitje op deze manier aan te pakken. De jongeren vonden het een leerzame en leuke middag.”

Ignace van Campenhout: “We hebben de verbinding tussen de ondergrond en de bovengrond kunnen maken en aan de hand van oude foto’s een vergelijking tussen het oude en het nieuwe Rotterdam kunnen bieden. De handout bood de mogelijkheid om de relatie tussen het kaartmateriaal en de realiteit te leggen. Activiteiten als deze rondleiding passen in het kennis- en innovatiebudget van Ingenieursbureau Rotterdam. We willen de ondergrond en de waarde ervan voor de stad zichtbaar maken. Daar blijven we aan werken. We denken over een fietsroute waarin we ook de ondergronds app verwerken, en we bieden via het COB het lesmateriaal aan in lespakket dat nu wordt ontwikkeld.”

'De businesscase is gebaseerd op beschikbaarheidsafspraken'

Binnenkort wordt de Tweede Coentunnel opgeleverd. Dan zal blijken of de DBFM-constructie, die erop neerkomt dat Rijkswaterstaat de tunnel voor 24 jaar leaset, aan de verwachtingen voldoet. Gerard Minten, CEO van de Coentunnel Company: “Het DBFM-concept is goed als je exact weet wat je gaat doen. De investeerders willen weten waar ze aan toe zijn en eisen duidelijkheid.”

De financiële component in de contractvorm vergt een specifieke aanpak. Gerard Minten vervolgt over de noodzaak om investeerders vooraf zo nauwkeurig mogelijk te kunnen vertellen wat het project behelst: “Natuurlijk is het zo dat je ondergronds altijd met onvoorspelbare componenten te maken hebt, maar dat kun je inpassen. Wat je niet kunt doen, is onderweg de spelregels veranderen.”

Een volledig voorspelbaar project leidt tot de vooronderstelling dat DBFM tot optimalisatie en lagere kosten leidt. De eindafrekening kan uiteraard pas over vierentwintig jaar worden gemaakt, maar Gerard Minten noemt al wel de verschillende invloedsfactoren: “De financieringskosten zijn juist hoger, omdat je als marktpartij nooit kunt lenen tegen het rentepercentage dat de overheid krijgt. Daar staat het voordeel tegenover dat de aannemer kan optimaliseren. Die twee aspecten kun je niet zomaar salderen. Verder geeft de financieringscomponent een heel andere dimensie aan een project als de Tweede Coentunnel. De financiers steken er vijf jaar lang geld in, voordat de geldstroom vanuit Rijkswaterstaat gaat lopen. Dat is een belangrijk drukmiddel voor tijdig opleveren. Daarnaast volgt optimalisatie uit de afspraak om te betalen op basis van beschikbaarheid.”

“In het contract zijn boetes opgenomen voor wegafsluitingen, falen van technische systemen en dergelijke. Daarbij hoeft overigens geen sprake te zijn van fysieke afsluiting. Ook ‘virtueel dicht’ kan leiden tot boetes. De beschikbaarheidsafspraken leiden tot het eventueel dubbel uitvoeren van systemen en een sterke focus op kwaliteit van materialen voor de lange termijn. Daar is de businesscase op gebaseerd. De onderaannemer neemt het risico dat hij bouwt voor een vast bedrag. De Special Purpose Company (zie kader) is zoveel mogelijk risicovrij.”

Kwalitatief rendement

Een tweede vooronderstelling is dat de DBFM-aanpak innovatie voedt en leidt tot slimme oplossingen. Dat zet de deelnemende aannemer op voorsprong, omdat hij dergelijke innovaties elders weer toe kan passen. De praktijk blijkt weerbarstiger. Gerard Minten: “Een groot deel van bijvoorbeeld de Tunnelstandaard is gelijktijdig met de bouw van de Coentunnel ontwikkeld. We hebben tijd en ruimte gekregen om zaken samen met Rijlswaterstaat uit te zoeken. Toch blijkt het blijven voldoen aan de contractuele verplichtingen een zwaardere stempel te drukken op innovaties dan de mogelijke verbetering van de concurrentiepositie van deelnemende partijen.”

Slimme oplossingen als gevolg van de DBFM-aanpak doen zich wel degelijk voor. Gerard Minten: “Het denken vanuit zo min mogelijk afsluitingen leidt tot verbeteringen. Zo zijn de tunneltechnische installaties (TTI’s) bij de Tweede Coentunnel geconcentreerd op een aantal goed bereikbare plekken in het middentunnelkanaal en is ledverlichting toegepast om onderhoud te beperken. Ook buiten de tunnel zijn de verkeerstechnische installaties geconcentreerd in de VTI-huisjes langs de weg. Daardoor is slimmer onderhoud mogelijk. Het zijn optimalisaties die nog tijdens het bouwproces zijn doorgevoerd, omdat duidelijk werd dat je het risico op afsluitingen verkleint.”

De verkeerstechnische installaties zijn geconcentreerd in VTI-huisjes langs de weg. (Foto: Coentunnel Company)

Juridificering

De financiële component verhoogt risico’s en daarmee de noodzaak om die risico’s zo veel mogelijk af te dekken. Een DBFM-contract leidt dan ook tot hogere juridische kosten. Gerard Minten geeft aan dat de transactiekosten ongeveer drie procent van de investering bedragen, het dubbele van een contract zonder F-component. “In ons consortium-businessmodel houden we daar rekening mee. Bij consortiumpartner Vinci hebben we bijvoorbeeld een grote concessietak die met tientallen projecten wereldwijd al heel veel ervaring heeft met deze werkwijze. Vanwege dat hoge percentage transactiekosten zijn projecten van 500 miljoen euro voor Vinci zo’n beetje de ondergrens.”

Aannemers

Alhoewel er ook de kritiek is dat DBFM-contracten de keuzevrijheid voor de besteding van overheidsgeld in de toekomst te veel zouden beperken, wordt algemeen aangenomen dat er meer met DBFM-contracten gewerkt zal worden. Reden voor de aannemers van ons consortium om vroeg in te stappen, ervaring op te doen en ervoor te zorgen dat zij een DBFM-project aan hun trackrecord kunnen toevoegen.

Gerard Minten: “De meeste aannemers zullen aangeven dat een DBFM-contract op lange termijn interessant is, omdat je ook het onderhoud hebt. De vraag is wel of alle partijen onderkend hebben waar zij aan begonnen. Het voordeel zit in de herhaling. Je moet vaker DBFM-projecten doen om er voordeel uit te halen. Voor de toekomst verwacht ik een splitsing. Er zal een groep zijn die voor de lange termijn gaat en gelooft in dit concept. Dat zijn de bedrijven die hun organisatie eromheen opbouwen op basis van schaalvoordelen.”

Open!

Inmiddels is de Tweede Coentunnel open voor verkeer. Agmi, ontwerper en installateur van onder meer de (led)verlichting, maakte een leuke video over de aanleg:

https://youtu.be/A5HcXQfd6-0

>> Lees het nieuwsbericht over de nieuwe Tweede Coentunnel

Zinkvoegen

Over de levensduurverwachting van zinkvoegen in tunnels in Nederland blijkt veel onzekerheid te bestaan. Het COB-netwerk heeft daarom een commissie ingesteld om onderzoek te doen. Op 10 december 2014 is de eerste rapportage opgeleverd. Daarna is de commissie verder gegaan met praktijkonderzoek. Inmiddels is duidelijk dat de opgaven breder zijn. De commissie is daarom opgenomen in het tunnelprogramma.

Zinkvoegen in tunnels in Nederland zijn nauwelijks inspecteerbaar en niet vervangbaar. Lekkage van de voegconstructies kan echter leiden tot onverwachte en langdurige afsluiting van rijstroken van de tunnels, met grote economische schade en hoge herstelkosten voor de tunnelbeheerders tot gevolg.

Tunnelprogramma

Omdat de instandhoudingsopgave zich niet beperkt tot zinkvoegen, is het onderzoek naar de levensduur van ondergrondse constructies onderdeel geworden van het tunnelprogramma. Binnen de ontwikkellijn Civiel anders (ver)bouwen wordt de commissie uitgebreid en anders ingericht. Er komen subcommissies over drie onderwerpen: voegen, deformaties van tunnels en degradatie van materialen. Daarboven komt een overkoepelende stuurgroep die de samenhang en kwaliteit van het onderzoek borgt.
>> Lees meer

In mei 2013 werd de Tweede Coentunnel opengesteld voor verkeer. Direct daarna is gestart met de renovatie van de Eerste Coentunnel. De Coentunnel Company is via een DBFM-contract tot en met 2037 verantwoordelijk voor het onderhoud van beide Coentunnels. (Foto: Beeldbank RWS/Aerophoto Schiphol)

Eerste fase

De Coentunnel Company benaderde in 2013 het COB om het probleem – in samenwerking met het netwerk – structureel te analyseren en beheersbaar te maken. Er is gekozen voor een gefaseerde aanpak waarbij op basis van een beperkt budget binnen een redelijke termijn de eerste resultaten kunnen worden bereikt. In de eerste fase gaat het niet om die ene volledig uitgewerkte optimale oplossing, maar om het bepalen van kansrijke oplossingsrichtingen en het komen tot onderzoeksvoorstellen.

Na de uitvraag in augustus 2013 zijn er zestien experts uit het COB-netwerk aangesteld. Op 30 september 2013 kwamen zij voor het eerst bij elkaar, onder leiding van COB-coördinator Brenda Berkhout. Tijdens de startbijeenkomst is er direct inhoudelijk naar het probleem gekeken. Alex Kirstein van de Coentunnel Company vertelde over hun onderzoek naar de zinkvoegconstructies in de Eerste Coentunnel en Leo Leeuw, voormalig uitvoeringsingenieur bij Rijkswaterstaat en nu adviseur bij Nebest, gaf een presentatie over zijn onderzoek naar dilatatievoegen (zie rapport rechts).

Vervolgens is bepaald waar het huidige onderzoek zich op moest richten: het stoppen van bestaande lekkages en het voorkomen van nieuwe. Hiervoor is meer inzicht in het aantastingsmechanisme nodig en moet er een analyse komen van incidenten. Wanneer is interventie noodzakelijk? Welke monitorings- en inspectietechnieken zijn geschikt? Het afdichtingsysteem moet worden bekeken, evenals de wapening van de tandconstructie.

Het doel was niet om alle voegen in alle tunnels in beeld te hebben, maar te kijken naar de tunnels waarvan er informatie binnen de werkgroep beschikbaar is. Dit waren bijvoorbeeld tekeningen, details en conserveringsinformatie. De leden hebben deze informatie meegenomen naar de werksessies en met elkaar doorgenomen. Daarnaast hebben de werkgroepleden contact opgenomen met collega’s om extra informatie in te winnen.

Na diverse werksessies in 2013 en 2014 is op 10 december 2014 de rapportage Instandhouding zinkvoegen opgeleverd. Het rapport omvat de probleemanalyse, oplossingen of oplossingsrichtingen op basis van de beschikbare kennis en voorstellen voor nader onderzoek.

Praktijkonderzoek

Ter aanvulling op het rapport uit 2014 is extra endoscopisch onderzoek uitgevoerd bij vier tunnels: de Drechttunnel, de Noordtunnel, de Kiltunnel en de Vlaketunnel. In februari 2015 zijn de resultaten hiervan opgeleverd. Op basis hiervan is de commissie verdergegaan met praktijkonderzoek. Zo is een aantal voegen van de Heinenoordtunnel onderzocht. De onderzoeksresultaten bevestigen het beeld dat tijdens de eerdere onderzoeken in de Drecht-, Noord, Vlake- en Kiltunnel verkregen is. Daarbij is onder andere in alle voegen water aangetroffen dat van de weg afkomstig is. In een aantal gevallen is corrosie op de klemlijsten en bouten van de klemverbinding waargenomen. In de Kiltunnel is bij één bout een forse staalafname gemeten, waarbij zowel vóór als achter de klemstrip onderzoek is verricht. Vraag is nu in hoeverre hier sprake is van een probleem. Functioneert het Gina-profiel nog en zo ja, voor hoe lang? Hoeveel staalafname is toelaatbaar? Zijn we in staat om bouten en klemlijsten te vervangen?

Op 9 oktober 2015 heeft Nebest, samen met RWS, endoscopisch onderzoek uitgevoerd in de Kiltunnel in Dordrecht. (Foto: COB)

Deelnemers

Klik op het bedrijfslogo voor de deelnemende personen

BAM Infraconsult B.V. -

Locatie: Gouda, H.J. Nederhorststraat 1
Nhut Nguyen, rol: Lid

BESIX S.A. -

Locatie: Brussel, Avenue des Communautés 100
Jan van Steirteghem, rol: Lid

COB -

Locatie: Delft, Van der Burghweg 2
, rol: Begeleider/Facilitator

DEME Infra NL B.V. -

Locatie: Dordrecht, Kilkade 2
Lode Franken, rol: Lid

DEME Infra NL B.V. - DEME Infra

Locatie: Dordrecht, Kilkade 2
Hans Mortier, rol: Lid
Ruben van Montfort, rol: Secretaris

Elumint B.V. -

Locatie: Zoetermeer, Lenastroom 3
Harry de Haan, rol: Lid

Gemeente Rotterdam Stadsontwikkeling -

Locatie: Rotterdam, Wilhelminakade 179
Kees Blom, rol: Lid

Haskoning Nederland B.V. -

Locatie: Amersfoort, Laan 1914 nr. 35
René Kuiper, rol: Lid

Havenbedrijf Rotterdam N.V. -

Locatie: Rotterdam, Wilhelminakade 909
Egbert van der Wal, rol: Lid

Kiltunnel -

Locatie: Dordrecht, Kiltunnelweg 100
Arie Bras, rol: Lid

MH Poly Consultants & Engineers B.V -

Locatie: Bergen Op Zoom, Jacob Obrechtlaan 5b
Bard Louis, rol: Lid

Mobilis TBI infra -

Locatie: Apeldoorn, Fauststraat 3
Gerard van den Berg, rol: Lid

Movares Nederland B.V. -

Locatie: Utrecht, Jaarbeursboulevard 280
Jan Jonker, rol: Lid
Peter Hoogen, rol: Lid

Nebest B.V. -

Locatie: Vianen, Marconiweg 2
Jan Kloosterman, rol: Secretaris
Leo Leeuw, rol: Lid

ProRail B.V. -

Locatie: Rotterdam, Delfseplein 27j
Edwin Westerduijn, rol: Lid

Rijkswaterstaat PPO Programma's, Projecten en Onderhoud -

Locatie: Haarlem, Surinamepad 90
Harry Dekker, rol: Opdrachtgever

Rijkswaterstaat PPO Programma's, Projecten en Onderhoud - Rijkswaterstaat GPO

Locatie: Haarlem, Surinamepad 90
Ad Nieuwenhuyzen, rol: Lid

Rijkswaterstaat PPO Programma's, Projecten en Onderhoud - Rijkswaterstaat GPO

Locatie: Haarlem, Surinamepad 90
Gerrit Wolsink, rol: Lid

Rijkswaterstaat PPO Programma's, Projecten en Onderhoud - Rijkswaterstaat GPO

Locatie: Haarlem, Surinamepad 90
Martijn Blom, rol: Lid

Rijkswaterstaat PPO Programma's, Projecten en Onderhoud - Rijkswaterstaat GPO

Locatie: Haarlem, Surinamepad 90
Carolien Nieuwland, rol: Lid

Rijkswaterstaat PPO Programma's, Projecten en Onderhoud - Rijkswaterstaat GPO

Locatie: Haarlem, Surinamepad 90
Stephan van der Horst, rol: Lid
Theo van Maris, rol: Lid

Strukton Infra Specials -

Locatie: Utrecht, Westkanaaldijk 2
Nico Vink, rol: Lid

Trelleborg Ridderkerk B.V. -

Locatie: Rotterdam, Fascinatio Boulevard 350
Joel van Stee, rol: Lid
Frans Melchers, rol: Lid

TU Delft Faculteit Civiele Techniek & Geowetenschappen -

Locatie: Delft, Stevinweg 1
Wout Broere, rol: Lid

Tunnel Engineering Consultants -

Locatie: Amersfoort, Laan 1914 No 35
Hans de Wit, rol: Lid

Van Hattum en Blankevoort -

Locatie: Vianen, Lange Dreef 13
Sallo van der Woude, rol: Lid

Witteveen+Bos -

Locatie: Rotterdam, Blaak 16
Brenda Berkhout, rol: Voorzitter

(Foto: Vincent Basler)

De Maastunnel in Rotterdam werd in 2012 als eerste tunnel in Nederland uitgeroepen tot rijksmonument. Bij de restauratie/renovatie van de tunnel werken Combinatie Aanpak Maastunnel en de gemeente Rotterdam samen om de wensen en eisen vanuit tunnelveiligheid en monumentenzorg zorgvuldig op elkaar af te stemmen. Buro van Stigt uit Amsterdam werd aangesteld als intermediair tussen Monumentenzorg en de gemeente Rotterdam om de monumentale waarden van de tunnel te bewaken en bewaren.

“Op het moment dat je met een rijksmonument te maken hebt, gaan allerlei zaken spelen. De veiligheidseisen kunnen botsen met de eisen van monumentenzorg”, vertelt Rinus Braam van Ingenieursbureau Gemeentewerken Rotterdam. “We zijn al in januari 2016 met alle partijen samen gaan zitten om het project voor te bereiden”, zegt Dieter van Staveren van Mobilis/TBI. Het doel is om de oorspronkelijke tunnel uit 1942 zo veel mogelijk te benaderen. Van de in de periode 1937-1942 door de gemeente Rotterdam in eigen beheer gebouwde tunnel is veel documentatie bewaard gebleven. “Maar omdat in die tijd anders met informatie werd omgegaan en bijvoorbeeld niet werd bijgehouden waar asbest werd gebruikt, hebben we veel onderzoek moeten doen”, aldus Rinus Braam.

“Dat jaar voorbereiding was een groot voordeel. In samenwerking kom je tot het beste resultaat.”

Dieter van Staveren: “We hebben een heel convergentiejaar gebruikt om alle aspecten van de renovatie af te stemmen. In dat jaar hebben we in de nachtelijke uren al allerlei proeven uitgevoerd. Bijvoorbeeld ten behoeve van de langsverlichting, maar ook het nabouwen van de leuningen van het inspectiedek en het aanbrengen van proefvlakken met geel asfalt.” Rinus Braam: “Dat jaar voorbereiding was een groot voordeel. In samenwerking kom je tot het beste resultaat.” Dieter van Staveren: “Je probeert iedereen in zijn waarde te laten, maar intussen wel door te pakken en door middel van onderzoek zo veel mogelijk te voorkomen dat je tegen onvoorziene zaken aanloopt.”

Focus op uitstraling
Bij de restauratie van een monument als de Maastunnel is vooral van belang dat de uitstraling van het object behouden blijft. Er kunnen andere materialen worden toegepast zolang kleur en vorm behouden blijven. De originele lagedruknatriumlampen worden vervangen door ledlicht. Na uitgebreide proeven is een kleur geel gevonden die niet te onderscheiden is van het origineel. Bij calamiteiten kan worden geschakeld naar wit licht, conform de veiligheidseisen. De gietijzeren armaturen aan de binnenzijde van de tunnel blijven gehandhaafd. Vervangende armaturen worden volgens de oorspronkelijke specificaties opnieuw gegoten. In een aantal gevallen wordt de oorspronkelijke uitstraling juist hersteld. Zo krijgt het asfalt de gele kleur van de oorspronkelijke klinkertjes.

Een vluchtdeur in de tunnel, lees meer in het blog van maastunnel.nl. (Foto: facebook.com/maastunnel)

Dieter van Staveren: “We brengen ook de oorspronkelijke leuningen langs het inspectiepad weer terug. Die waren in de jaren tachtig vervangen. De oorspronkelijke leuningen hebben echter niet de tussenregel die nu wel wettelijk verplicht is, en zijn niet 1,10, maar 0,85 meter hoog. Omdat de leuningen op het inspectiepad staan en in de praktijk nauwelijks worden gebruikt, konden we hier gemotiveerd van de regels afwijken en hebben we een ontheffing op de bouwvergunning gekregen.” Ook ten behoeve van de brandwerendheid moest een compromis worden gesloten. Rinus Braam: “Het plafond van de tunnel is afgewerkt met vuurvaste chamottetegels. Die zijn nauwelijks meer te krijgen. We gebruiken hiervoor Promatect, dat met wapening en stucwerk zodanig wordt afgewerkt, dat het beeld gelijk blijft aan dat van de oorspronkelijke toepassing.” De uitstraling van de hulppostkasten moest vanwege de wettelijke eisen wel veranderen. De kasten worden vanwege de zichtbaarheid rood en kunnen dus niet de kleur van de wandtegels behouden.

Een van de grootste opgaven was het toepassen van de wettelijk vereiste langsventilatie zonder het beeld in de tunnel aan te tasten. Dat is opgelost met een verhoogd tunneldak en een nieuw tussenplafond, waar de ventilatoren aan de buitenzijde van de tunnel tussen zijn geplaatst. De tunneltechnische installaties die verplicht zijn volgens de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warvw), waaronder luidsprekers en camera’s, zijn zo veel mogelijk geclusterd, zodat de impact op de uitstraling van de tunnel beperkt blijft. Ook ten aanzien van de vluchtroutes werd een compromis bereikt. Door extra trapjes te plaatsen werd voorkomen dat de originele betonnen schampkant gesloopt moest worden.

Anticiperen
Ondanks de goede voorbereiding komen de uitvoerders tijdens de renovatie onverwachte zaken tegen. Bijvoorbeeld toen bleek dat de bestaande wandtegels een veel lagere hechtingsbelasting hadden dan aangenomen, en 17.500 m² replicategels uit Spanje geïmporteerd moesten worden. Vertraging in de voorbereiding is dan onvermijdelijk, terwijl de planning – met twee keer een eenzijdige afsluiting van zomer tot zomer – heilig is. Dieter van Staveren: “We hebben van tevoren gezegd dat we van de beschikbare 52 weken er maar 46 wilden gebruiken. Zo hadden we zes weken voor ‘onvoorziene zaken’.” “En”, vult Rinus Braam aan, “we hebben nog wat optimalisatie in de planning weten te realiseren. Van de buffer uit het eerste jaar hebben we nu (december 2017, red.) drie weken gebruikt. Dus we zitten goed op schema.” Dieter van Staveren: “We zijn er zeker van dat we de eerste tunnelbuis in juli kunnen overdragen aan de opdrachtgever. Volgend jaar zullen we vermoedelijk efficiënter kunnen werken, omdat we hebben geleerd in de eerste buis en niet meer voor verrassingen komen te staan.”

Parkeergarage Houtwal

Om in de binnenstad voldoende parkeergelegenheid te creëren zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid van het centrum, heeft de gemeente Harderwijk een nieuwe parkeergarage laten bouwen aan de Houtwal.

De garage is rond, heeft een diameter van 60 meter en biedt plaats aan 450 voertuigen. In het midden heeft hij een groot glazen dak, dat ervoor zorgt dat tot onderin – ruim 21 meter beneden het maaiveld – daglicht valt. De parkeerlagen hebben de vorm van een spiraal en liggen rond de lichtschacht die een doorsnede heeft van 12 meter. Op weg naar beneden komen bezoekers nergens een pilaar tegen. Voor het verlaten van de garage is een aparte rijbaan gemaakt rond de lichtschacht, die automobilisten zonder obstakels naar de uitgang voert.

Automobilisten rijden als in een kurkentrekker naar beneden. (Beeld: Gemeente Harderwijk)

Diepwanden

De garage is aanbesteed als design-and-constructcontract, en ontworpen en gebouwd door bouwcombinatie Houtwal. Voor de bouw zijn diepwanden gemaakt tot een diepte van 24,5 meter, waarbij elk paneel ongeveer 8 meter breed is en 1,2 meter dik. Een rubberen slab tussen de diepwanden zorgt voor een goede waterdichte afsluiting.

Nadat de ring van diepwanden gereed was, is het grootste deel van de grond hydraulisch ontgraven om overlast voor de omgeving door vrachtwagens te voorkomen. Het natte zand is opgezogen en via een persleiding naar een depot verpompt. De leidingen hiervoor zijn tijdelijk in het gemeentelijke riool aangebracht.

Tijdens graafwerkzaamheden zijn resten van een oude stadspoort ontdekt. Deze zijn gerestaureerd en staan tentoongesteld op de onderste verdieping van de parkeergarage.

Onderwaterbeton

De onderste vloer van de garage bestaat uit onderwaterbeton. Om opdrijven van deze vloer te voorkomen zijn ruim 400 GEWI-ankers aangebracht met een lengte van 34 meter. De paalpunten van deze ankers zitten 53 meter onder het maaiveld.

Voorafgaand aan het storten van het onderwaterbeton is een wapeningslaag van een meter dik aangebracht, die ervoor zorgt dat de vloer niet opbolt. Na uitharding van het onderwaterbeton bleek de aansluiting tussen de vloer en wanden nog niet volledig waterdicht. Daarom hebben duikers gaten door het beton geboord en met injectielansen een expanderende tweecomponentenhars geïnjecteerd tussen de vloer en de wanden. Toen de lekkage was verholpen, heeft de bouwcombinatie het water uit de bouwput gepompt en is begonnen met de afbouw.

Eerst is bovenop het onderwaterbeton een constructieve vloer gemaakt van 75 centimeter dik. Vervolgens zijn de middenkoker en de trappenhuizen gebouwd. Vanuit de trappenhuizen zijn de kolommen gesteld waarop de prefab betonnen parkeerdekken steunen. Het betreft acht betonnen kolommen voor de middenring en zestien voor de buitenring. Het niet-glazen deel van het dak bestaat uit ruim vijftig betonnen dakliggers met een gewicht van elk zestien ton. Het dak is voorzien van gras en het glas is beloopbaar om het gebied een parkachtige uitstraling te geven.

Sprinkler-installatie

De parkeergarage is voorzien van energiezuinige, dimbare led-verlichting. In totaal gaat het om 650 led-armaturen die vier standen hebben: 30, 25, 20 en 15 Watt. Verder is de garage uitgerust met een sprinklerinstallatie. Bij brand gaan de sprinklers nabij het vuur direct sproeien, zodat een brand geen kans heeft zich verder te ontwikkelen. Daardoor blijft de temperatuur bij een brand laag en blijft de bouwkundige constructie gespaard. Een ventilatiesysteem zorgt voor de afvoer van rook.

De standaard in de praktijk: nu en in de toekomst

Er wordt al veel gesproken over de nieuwe standaard voor de uitrusting van wegtunnels. Landelijk tunnelregisseur Hans Ruijter leverde de eerste versie af in de zomer van 2011. Sindsdien wordt de standaard bij drie tunnelprojecten in praktijk gebracht. Zo wil men hem toetsen en de ongeregeldheden eruit halen. Zodra de standaard is gestabiliseerd, wordt deze – met een werkwijzer – algemeen beschikbaar gesteld.

Momenteel ligt bij de Tweede Kamer een voorstel tot wijziging van de Tunnelwet. In het wetsvoorstel staat de veiligheidsnorm beschreven waaraan alle toekomstige tunnels moeten voldoen. Daarnaast is in de onderliggende regelgeving een standaarduitrusting voorgeschreven voor tunnels in het rijkswegennet: indien deze (correct) is toegepast, voldoet de tunnel aan de norm. De uitrusting is uitgewerkt in de standaard die landelijk tunnelregisseur Hans Ruijter en zijn team hebben ontwikkeld. Ze keken met name naar de bedienprocessen en tunneltechnische installaties (TTI).

“Het is echter niet zo dat nieuwe tunnels hierdoor veiliger worden,” stelt Ruijter, “in feite zijn Nederlandse tunnels al veilig genoeg. Maar de aanpak kan beter. De huidige wetgeving is niet eenduidig, waardoor er vaak discussies ontstaan. Dat kost tijd en meestal ook geld. Bovendien wordt nu bij ieder tunnelproject opnieuw naar de veiligheid gekeken. Daar is natuurlijk niets mis mee, maar je hoeft niet het wiel opnieuw uit te vinden. Ook al is de invulling anders, de afwegingen zijn meestal vergelijkbaar. Die zijn nu gestandaardiseerd.”

Puntjes op de i 

Versie 1.1 – twee dikke ordners met A4’tjes – is sinds juli 2011 gereed. Deze versie wordt nu toegepast bij drie projecten. De ervaringen uit de praktijk leveren soms aanscherpingen of verbeteringen op, op basis waarvan te zijner tijd versie 1.2 wordt opgeleverd.

Ruijter: “Bij Combiplan NijverdalA2 Maastricht en A4 Delft wordt de standaard geïmplementeerd, zodat we alle foutjes en inconsistenties eruit kunnen halen. Dit gaat onder begeleiding van een centraal implementatieteam.”

Het implementatieteam van de landelijk tunnelregisseur. Van links naar rechts ziet u: Martin Mees, Arie de Jong, Marije Bockholst, Ben Harbers, Diderick Oerlemans en Ronald Gram. Op de foto ontbreken Jos Haarsma en Bert van Rangelrooij. (Foto: Lieke Fortuin)
>> De leden van het team aan het woord

“Daarnaast hebben we bij de betreffende projectbureaus een technisch manager TTI aan het team toegevoegd. Zij kunnen hun bevindingen doorgeven aan de frontoffice van het implementatieteam. De backoffice beheert de standaard; hier wordt ervoor gezorgd dat alle wijzigingen die binnenkomen op een gestructureerde manier in de standaard worden verwerkt.” Het is niet zo dat de wijzigingen ook direct van kracht worden. “Het contract – of het contract dat we aan het voorbereiden zijn – is leidend. Over het algemeen is daarin sprake van versie 1.1. Als deze zomer versie 1.2 uitkomt, gaan we niet meteen contracten openbreken. We voeren wijzigingen alleen door bij een project als de aanpassingen voor dat project echt van belang zijn. Een impactanalyse moet dat uitwijzen.”

Hoewel de standaard op aanvraag beschikbaar is, is er expliciet voor gekozen het boekwerk niet openbaar beschikbaar te maken. De implementatie beperkt zich voorlopig tot deze drie projecten. “We willen dat de standaard zich stabiliseert. Het verzamelen van inconsistenties wordt een onbeheerst proces als je de standaard nu breed uitzet. Dat willen we voorkomen”, aldus Ruijter.

Strak waar het moet

“De standaard bevat in principe functionele specificaties,” vertelt Ruijter, “maar op sommige onderdelen gaan die wel vrij ver of schrijven we zelfs de uitvoering voor. Dat is volgens mij in ieders belang. Installaties vormen qua kosten slechts een klein onderdeel van een tunnelproject, maar als dat onderdeel niet goed zit, kost je dat veel meer geld. Het is dus in ieders belang om die zo strak mogelijk voor te schrijven. Bovendien zit het slimme van een aanbieding toch niet in dit onderdeel; daar haalt de aannemer zijn creativiteit en winst niet uit.”

Werkwijzer

Het implementatieteam ondersteunt de drie lopende praktijkprojecten bij het toepassen van de standaard; hoe gaat dat straks bij nieuwe projecten? Ruijter: “Enerzijds wijst zich dat vanzelf, want vrijwel alle partijen die in de toekomst met de standaard moeten werken, zijn betrokken geweest bij de totstandkoming ervan. Anderzijds maken we een werkwijzer, een kookboek als het ware, om uit te leggen hoe je de standaard in praktijk kunt brengen. Daarin geven we aan waar en hoe de standaard terugkomt in de fases van een tunnelproject. Wat moet je bijvoorbeeld geregeld hebben bij het ontwerp-tracébesluit? Hoe maak je de generieke specificaties van de standaard specifiek voor een project en in welke fase doe je dat? Dat staat allemaal in de werkwijzer.”

De werkwijzer besteedt ook aandacht aan de samenwerking tussen de mensen van de TTI en die van de civieltechnische kant. Volgens Ruijter blijkt daaruit dat het veld inziet dat deze samenwerking belangrijk is. “Men onderkent nu dat het echt twee verschillende takken van sport zijn, die elkaar beïnvloeden en ook last van elkaar kunnen hebben als de samenwerking niet goed is georganiseerd. Maar dat er expliciete aandacht voor samenwerking is in de werkwijzer, wil niet zeggen dat het probleem daarmee volledig is opgelost. Dat zal natuurlijk in de praktijk nog moeten blijken.”

De werkwijzer is in concept gereed en zal naar verwachting voor de zomer van dit jaar uitkomen. Bij de tunnelprojecten in het tracé Schiphol-Amsterdam-Almere wordt het boekje voor het eerst gebruikt.

Infographic over de handelingen bij een tunnelbrand. Klik op het beeld voor een grotere versie. (Beeld: RWS)

Stadstunnels 

Binnen het vakgebied speelt de vraag of de standaard de aanleg van stadstunnels niet in de weg zit. Dat is volgens Ruijter niet het geval. “We hebben ons bij de standaard puur gericht op rijkswegtunnels, want daar was de meeste urgentie. Maar ik denk dat de principes achter de standaard en de wijze waarop hij is opgebouwd, ook goed bruikbaar zijn voor gemeentelijke tunnels. Het is aan de gemeenten zelf om te bepalen in hoeverre ze er gebruik van willen maken.”

Ruijter wijst erop dat er niet altijd zo’n strikt onderscheid is tussen rijkstunnels en stadstunnels. Als voorbeeld noemt hij de tunnel in de A2 bij Maastricht: “Dat is een stadstunnel, maar wel in een rijksweg. Bovendien is het een dubbeldekstunnel; veel unieker kun je het niet krijgen. Als de standaard zelfs daarop van toepassing is, moet je ook bij gemeentelijke tunnels een heel eind kunnen komen.”

Ruijter zou willen voorkomen dat er straks twee standaarden zijn. “Voordat je gaat standaardiseren, moet er wel de wens zijn óm te standaardiseren”, stelt Ruijter. “Mijn advies naar gemeenten is om na te gaan in hoeverre ze daartoe bereid zijn. Je offert er wel het een en ander voor op, bijvoorbeeld de keuzevrijheid om voor iedere tunnel maatwerk te maken. Ik denk dat het dat wel waard is; dat de winst groter is, maar dat moeten gemeenten voor zichzelf bepalen.”

Serious game Terra Tactica

Samenwerken gaat niet vanzelf. Inzicht in elkaars belangen kan leiden tot betere afstemming en het voorkomen van onvoorziene risico’s en beheerkosten. Sweco presenteerde tijdens het COB-congres de serious game Terra Tactica, die opdrachtgevers, ontwikkelaars, bodemenergiebeheerders, netwerkbeheerders, infrabeheerders en grondwaterwinners helpt om tegengestelde belangen te verenigen, of door geven en nemen tot betere afstemming te komen.

Aan de hand van een praktijkvoorbeeld uit Eindhoven (Stationsplein Zuid), waar met behulp van Terra Tactica ondergrondse afstemmingsproblemen werden blootgelegd en opgelost, konden congresbezoekers aan den lijve ervaren hoe het spel werkt. Terra Tactica is een verdere uitwerking van het in 2013 gepresenteerde OndergrondStratego. In het kort komt het erop neer dat gemeentes en provincies er met behulp van Terra Tactica voor zorgen dat alle partijen die in de ondergrond iets willen, dezelfde kennis hebben en samenwerken.

Terra Tactica oogt als een bordspel, waarbij de plattegrond van het onderhavige project het speelveld is. Deelnemers kunnen met behulp van gekleurde blokjes aangeven wat hun wensen zijn en beargumenteren waarom dat een voor hen wenselijke oplossing is. In die eerste inventarisatieronde wordt duidelijk wat de effecten zijn van gewenste ingrepen en waar de wens van de een de oplossing van de ander in de weg zit. Er ontstaat inzicht in onder- en bovengrondse ruimtetekorten en hoe ingrepen in de ondergrond elkaar beïnvloeden. In de tweede ronde worden de rollen omgedraaid. Elke partij wordt gevraagd welke mogelijkheden zij ziet om de problemen van een ander op te lossen en ontwikkelingen in de ondergrond op een veilige, kostenefficiënte en duurzame manier mogelijk te maken.

Terra Tactica tijdens het COB-congres op 3 november 2017. (Foto: Sweco)

Omgevingswet
De gekozen aanpak is actueel met het oog op de nieuwe Omgevingswet (2021), waarmee onder andere een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming (sneller, beter) en regelgeving wordt beoogd. De interactieve Terra Tactica-sessies starten dan ook met een uitleg over de gevolgen van de nieuwe Omgevingswet voor ontwikkelingen in de bodem.

Tijdens de sessie op het COB-congres (een ingekorte versie van een gangbare sessie) bleek al snel dat het opkomen voor het eigenbelang binnen een projectoverleg niemand vreemd is. De deelnemers trokken stevig van leer en gunden elkaar in eerste aanleg weinig ruimte. Pas bij de rollenwisseling werd het belang van de ander meegewogen en ontstond een sfeer van geven en nemen en het gevoel dat het succesvol afronden van een project een gezamenlijke verantwoordelijkheid is. De gunfactor leidt tot een gedragen oplossing voor iedereen. De begeleiders van Sweco gaven overigens aan dat het benodigde wederzijdse begrip in de praktijk meestal niet al tijdens de eerste sessie ontstaat, maar dat de meerwaarde van de speelse aanpak uiteindelijk wel degelijk door alle betrokkenen wordt erkend. In de praktijk wordt Terra Tactica niet alleen ingezet in de voorbereidende fase van een project, maar ook als last-minute risicoanalyse aan de vooravond van de uitvoeringsfase.

Dit was de Onderbreking Verbinden

Bekijk een ander koffietafelboek: