Loading...

De Onderbreking

Waardering

Waardering

Buizenpost voor Almeers afval

Harderwijk, Parkeergarage Houtwal

Visie van… Sander van der Heijden

Rotterdam kiest voor de verbeelding

Studenten ontwerpen RijnlandRoute

Lekken in waterleidingen opsporen

Den Haag, Tramtunnel

Financiering en beheer Westerscheldetunnel

mixen en matchen geeft innovatie vaart

Kennisbank

Waardering

In de praktijk wordt veel gesproken over integrale gebiedsontwikkeling, maar men vergeet vaak de potentie van de bodem. De ondergrond kan een kwaliteitsimpuls geven aan de bovengrond. Welke waarde voegt ondergronds ruimtegebruik toe? Kunnen we die meerwaarde ook hard economisch neerzetten?

De huidige ruimtelijke ordening is primair gericht op de bovengrondse ruimte. Wanneer de ondergrondse ruimte als volwaardige component in de planvorming wordt meegenomen, komen de kansen in beeld. Zo kan ondergronds ruimtegebruik positief bijdragen aan maatschappelijke opgaven, zoals de energietransitie en klimaatverandering. Door functies ondergronds te brengen, blijft er bovengronds ruimte over voor andere doeleinden. Deze toegevoegde waarde van ondergronds bouwen is echter lastig in kaart te brengen, terwijl de kosten vaak relatief goed zijn in te schatten.

Veel participanten hebben met deze kwestie te maken en het COB wil hen hierin ondersteunen. Er spelen civieltechnische, juridische, beleidsmatige en economische vragen die in samenhang bekeken moeten worden om de ondergrond op waarde te kunnen schatten.

Buizenpost voor Almeers afval

Vuilniswagens zie je zelden in het centrum van Almere. Het grootste deel van het huisvuil, bedrijfsafval en afval uit openbare afvalbakken wordt via een kilometerslang ondergronds buizenstelsel afgevoerd. De laatste jaren is de betrouwbaarheid en energie-efficiency van dit ondergrondse afvaltransportsysteem fors verbeterd.

Het systeem voor ondergronds afvaltransport (OAT) in Almere is sinds 2003 in gebruik. “Halverwege de jaren negentig gingen de plannen uit van een sterke groei van Almere tot een stad met 330.000 inwoners”, vertelt Klaas Wolzak, teamleider van de dienst Stadsreiniging van de gemeente Almere. “Als onderdeel van deze plannen moest het centrum van Almere-Stad een impuls krijgen en uitgroeien tot het tweede centrum van Almere. De opdracht aan investeerders en architecten hierbij was dat het nieuwe centrum futuristisch en gebruiksvriendelijk diende te zijn en goed bereikbaar met de auto.”

Gebogen maaiveld

Architectenbureau OMA heeft deze opdracht toentertijd vertaald in een verrassend masterplan. Kern van dit plan was het idee van een ‘gebogen maaiveld’, een soort kunstmatige holle heuvel die vanaf de kanten geleidelijk oploopt tot een hoogte van ongeveer zes en een halve meter. Bovenop deze heuvel is een autovrij gebied met winkels en horeca en daar weer boven woningen met tuinen. Eronder liggen busbanen, fietspaden, parkeergarages en logistieke centra. Wolzak: “Een belangrijk voordeel van het gebogen maaiveld is dat het over de bestaande busbanen kon worden gelegd en nieuwe parkeergarages niet in de ondergrond hoefden te worden gebouwd, onder het oorspronkelijke maaiveld.”

“In het nieuwe centrum wilden we geen auto’s, dus ook geen vuilniswagens”, vervolgt Wolzak. “Daarom zijn we op zoek gegaan naar andere vormen van afvalinzameling. Bij deze zoektocht stuitten we op het ondergrondse afvaltransportsysteem in Stockholm. Dat sprak ons erg aan. Nadat uit een businesscase bleek dat het haalbaar was, besloten we het systeem hier toe te passen.”

(Foto: Dura Vermeer/Jorrit Lousberg)

Het OAT in Almere bestaat uit een netwerk van stalen buizen met een diameter van vijftig centimeter en een totale lengte van circa tien kilometer. Het ondergrondse netwerk is opgedeeld in verschillende secties die afzonderlijk in- en uitgeschakeld kunnen worden. Op het systeem zijn ongeveer 1.400 huishoudens en 300 bedrijven aangesloten en circa 100 prullenbakken in de openbare ruimte van het stadscentrum. Bewoners en bedrijven kunnen via drie inwerpzuilen drie verschillende fracties aanbieden: restafval, organisch afval en papier en karton. Onder de inwerpzuil voor papier en karton zit een shredder die ervoor zorgt dat het ingeworpen materiaal voldoende klein is om te worden afgezogen. Het buizennetwerk is aangesloten op een centraal eindstation, de Stofzuiger genaamd. Vanuit dit station wordt het aangeboden afval per fractie opgezogen en na aankomst opgeslagen in een van de drie grote perscontainers. Hiervoor wordt de aanzuigbuis automatisch aangesloten op de container voor de betreffende fractie. Circa drie keer per week voert een vrachtwagen vervolgens een container met afval af.

“De eerste jaren deden we als dienst Stadsreiniging het onderhoud zelf met eigen monteurs”, vertelt Wolzaks collega André Rusch, regisseur van Team Schoon van Almere. “Maar eigenlijk misten we de benodigde expertise. Dat zag je terug in een fors aantal storingen en een hoog energiegebruik. In 2014 werd er binnen de gemeenteraad zelfs over gedacht om met het systeem te stoppen. Uiteindelijk is dat niet gebeurd, omdat stoppen een enorme kapitaalvernietiging zou zijn en de gebruikers tevreden waren over het systeem. Wel is toen besloten om het beheer en onderhoud onder te brengen bij CentralNed, dat het systeem ook heeft aangelegd.”

Energiebesparing

“Toen wij de opdracht kregen om het beheer en onderhoud van het OAT te gaan doen, hebben we afgesproken om het systeem snel up-to-date te maken”, vertelt Paul Zaal, projectleider van CentralNed. “We hebben het achterstallige onderhoud verholpen en vervolgens diverse optimalisaties doorgevoerd. We hebben bijvoorbeeld frequentieregelaars aangebracht op de zes motoren die de afzuigers aandrijven. Dat biedt ons de mogelijkheid om motoren op deellast te laten draaien. Voorheen kon dat niet; als bijvoorbeeld twee motoren net niet voldoende vermogen leverden, moesten we een derde op vollast inschakelen. Nu kunnen we het gewenste vermogen precies instellen, wat zorgt voor een forse energiebesparing.”

“In 2008 bedroeg het elektriciteitsverbruik 600 kWh per ton afval, inmiddels is dat minder dan 100 kWh per ton. Die besparing komt niet alleen voor rekening van de frequentieregeling, maar komt ook door het terugdringen van het aantal storingen en de toepassing van een slim inzamelprogramma. Het OAT bestaat in grote lijnen uit twee delen: de inzamelpunten voor bewoners en bedrijven, en de prullenbakken op straat. Bij de inzamelpunten werken we met een buffer waarin we afval tijdelijk opslaan. Als een buffer vol zit, starten we de afzuiging om de luchtstroom in het betreffende deel van het systeem op gang te brengen. Heeft de luchtstroom een snelheid van ongeveer zeventig kilometer per uur, dan openen we op afstand de klep aan de onderkant van de buffer en zuigen we het afval af naar de perscontainer. Aangezien het opstarten van de afzuiging relatief veel energie kost, zuigen we vervolgens ook het afval op uit alle buffers die voor twee derde gevuld zijn.”

Foto: Dura Vermeer/Jorrit Lousberg)

Kroonjuwelen

Zaal vervolgt: “Voor het legen van de prullenbakken werken we met tijdklokken, die per dag en locatie – op drukke plekken zijn de bakken sneller vol dan op stille – zijn ingesteld. Zo weten we dat op maandagen minder afval in de bakken wordt gegooid dan bijvoorbeeld op zaterdagen.”

Tot voor kort gingen de prullenbakken ongeveer anderhalve minuut dicht als ze werden geleegd en kon er tijdelijk geen afval in worden gegooid. In de praktijk leidde dat ertoe dat sommige mensen hun afval dan op straat gooiden. Directeur Ruben Verbaan van CentralNed: “Om dat te voorkomen, hebben we een nieuw binnenwerk voor de bakken ontwikkeld met een ballonbalg. Met deze balg kunnen we de bakken tijdens het legen onderin afsluiten, terwijl er bovenin nog ruimte blijft voor nieuw afval. Dat verkleint de kans op zwerfvuil.”

“We zijn ook trots op het systeem zoals het nu werkt. Het zijn de kroonjuwelen van de stadsreiniging.”

Wolzak en Rusch zijn erg tevreden over de nieuwe rolverdeling tussen de gemeente en CentralNed. Wolzak: “We werken intensief samen en vullen elkaar goed aan. Voortdurend gaan we na welke innovaties mogelijk zijn en hoe we onze milieudoelstellingen en logistieke processen kunnen verbeteren. We zijn ook trots op het systeem zoals het nu werkt. Het zijn de kroonjuwelen van de stadsreiniging.” Rusch vult aan: “Het mooie van het systeem is dat je 24 uur per dag je afval kunt aanbieden. Dat is niet alleen aantrekkelijk voor onze klanten, maar zorgt er ook voor dat er nauwelijks afval naast de inwerpzuilen wordt geplaatst. Daardoor hebben we veel minder last van zwerfvuil dan op locaties met standaard ondergrondse afvalstations. Dat past heel goed bij ons streven om een stad zonder afval te zijn. Als gemeente zijn we daarom bereid om de meerkosten op ons te nemen.”

Belangstelling

“De aanleg van een OAT vereist een hoge begininvestering”, zegt Verbaan. “Dat is de belangrijkste reden dat er tot nu toe maar twee systemen in Nederland zijn (in Almere en Arnhem, red.). Met de verdergaande verstedelijking en het aantrekken van de woningbouw zie ik echter een kentering. Een OAT is namelijk een manier om de woonomgeving leefbaar te houden en bewoners en bedrijven extra comfort te bieden. Inmiddels is er serieuze belangstelling vanuit een nieuwbouwproject in Amsterdam en toont ook het buitenland interesse. Zo komen er geregeld buitenlandse bezoekers naar Almere om het OAT te bekijken.”

Verbaan vervolgt: “Het Almeerse OAT functioneert nu uitstekend. Dat neemt niet weg dat we een nieuw systeem anders zouden opzetten. Zo zouden we nu kiezen voor twee zuilen per inzamelpunt, een voor papier en karton, uitgerust met een shredder, en een andere zuil voor alle andere afvalfracties. Daarbij zou je voor elke fractie een andere kleur zak moeten gebruiken. In het eindstation kun je dan de verschillende zakken selecteren met een optische laser. Dat maakt het systeem flexibeler en goedkoper. Verder zouden we nu kleinere buisdiameters toepassen.”

Parkeergarage Houtwal

Om in de binnenstad voldoende parkeergelegenheid te creëren zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid van het centrum, heeft de gemeente Harderwijk een nieuwe parkeergarage laten bouwen aan de Houtwal.

De garage is rond, heeft een diameter van 60 meter en biedt plaats aan 450 voertuigen. In het midden heeft hij een groot glazen dak, dat ervoor zorgt dat tot onderin – ruim 21 meter beneden het maaiveld – daglicht valt. De parkeerlagen hebben de vorm van een spiraal en liggen rond de lichtschacht die een doorsnede heeft van 12 meter. Op weg naar beneden komen bezoekers nergens een pilaar tegen. Voor het verlaten van de garage is een aparte rijbaan gemaakt rond de lichtschacht, die automobilisten zonder obstakels naar de uitgang voert.

Automobilisten rijden als in een kurkentrekker naar beneden. (Beeld: Gemeente Harderwijk)

Diepwanden

De garage is aanbesteed als design-and-constructcontract, en ontworpen en gebouwd door bouwcombinatie Houtwal. Voor de bouw zijn diepwanden gemaakt tot een diepte van 24,5 meter, waarbij elk paneel ongeveer 8 meter breed is en 1,2 meter dik. Een rubberen slab tussen de diepwanden zorgt voor een goede waterdichte afsluiting.

Nadat de ring van diepwanden gereed was, is het grootste deel van de grond hydraulisch ontgraven om overlast voor de omgeving door vrachtwagens te voorkomen. Het natte zand is opgezogen en via een persleiding naar een depot verpompt. De leidingen hiervoor zijn tijdelijk in het gemeentelijke riool aangebracht.

Tijdens graafwerkzaamheden zijn resten van een oude stadspoort ontdekt. Deze zijn gerestaureerd en staan tentoongesteld op de onderste verdieping van de parkeergarage.

Onderwaterbeton

De onderste vloer van de garage bestaat uit onderwaterbeton. Om opdrijven van deze vloer te voorkomen zijn ruim 400 GEWI-ankers aangebracht met een lengte van 34 meter. De paalpunten van deze ankers zitten 53 meter onder het maaiveld.

Voorafgaand aan het storten van het onderwaterbeton is een wapeningslaag van een meter dik aangebracht, die ervoor zorgt dat de vloer niet opbolt. Na uitharding van het onderwaterbeton bleek de aansluiting tussen de vloer en wanden nog niet volledig waterdicht. Daarom hebben duikers gaten door het beton geboord en met injectielansen een expanderende tweecomponentenhars geïnjecteerd tussen de vloer en de wanden. Toen de lekkage was verholpen, heeft de bouwcombinatie het water uit de bouwput gepompt en is begonnen met de afbouw.

Eerst is bovenop het onderwaterbeton een constructieve vloer gemaakt van 75 centimeter dik. Vervolgens zijn de middenkoker en de trappenhuizen gebouwd. Vanuit de trappenhuizen zijn de kolommen gesteld waarop de prefab betonnen parkeerdekken steunen. Het betreft acht betonnen kolommen voor de middenring en zestien voor de buitenring. Het niet-glazen deel van het dak bestaat uit ruim vijftig betonnen dakliggers met een gewicht van elk zestien ton. Het dak is voorzien van gras en het glas is beloopbaar om het gebied een parkachtige uitstraling te geven.

Sprinkler-installatie

De parkeergarage is voorzien van energiezuinige, dimbare led-verlichting. In totaal gaat het om 650 led-armaturen die vier standen hebben: 30, 25, 20 en 15 Watt. Verder is de garage uitgerust met een sprinklerinstallatie. Bij brand gaan de sprinklers nabij het vuur direct sproeien, zodat een brand geen kans heeft zich verder te ontwikkelen. Daardoor blijft de temperatuur bij een brand laag en blijft de bouwkundige constructie gespaard. Een ventilatiesysteem zorgt voor de afvoer van rook.

Visie van… Sander van der Heijden

“Op het gebied van kabels en leidingen wil niemand graag een precedent scheppen. Off record is er vaak wel steun voor een slimme andersoortige oplossing, maar men acht het risico te groot: ‘de volgende keer denken ze zeker dat we het weer zo doen’. Die gedachte zit ons in de weg.

Nu we alle opgaven in de ondergrond voor de komende 25 jaar beginnen te overzien, dringt het besef door dat we het tot dusver maar makkelijk hebben gehad. Nuts- en telecombedrijven werden op afstand geplaatst of geprivatiseerd en daarmee werden de organisaties effectiever en de uitvoering van werkzaamheden efficiënter. Een besluit werd genomen op basis van het belang dat de specifieke organisatie diende, en de uitkomst onder aan een Excel-sheet deed de rest. Nog wat touwtrekken over vergunningen en tracés en je kon aan de slag.

De keerzijde van de medaille begint zichtbaar te worden. In projecten zien we steeds vaker dat iedere organisatie haar eigen Excel-sheet heeft met een andere oplossing. Gelukkig zijn we het samenwerken nog niet helemaal verleerd. Ik zie ook goede voorbeelden om mij heen van engineers en adviseurs die met elkaar ‘in een hok kruipen’ om samen een plan te maken waarvan onze opvolgers over 25 jaar zullen zeggen: ‘dat hebben ze slim bedacht’ in plaats van ‘hoe hebben ze dat ooit kunnen doen!?’ Soms lukt het om dit uitgevoerd te krijgen, maar vaak ook niet, doordat de betrokken organisaties niet allemaal evenveel profiteren. Het gevolg is dat een organisatie het project in het slot gooit en er maanden extra nodig zijn om alsnog tot consensus te komen.

Kijken we naar de huidige en toekomstige opgaven (verglazing, aanleg 5G, vervangingsopgave, energietransitie, klimaatadaptatie en vergroening), dan wordt duidelijk dat het ons allemaal zou helpen als we weer in de geest van die ene, gezamenlijke Excel-sheet gaan werken. Om deze beweging op gang te krijgen, zou een revolverend fonds ingericht kunnen worden. De partij die benadeeld wordt, wordt gecompenseerd uit het fonds, en de partij die voordeel heeft, zal juist een afdracht doen. Onder de streep komt dan het maatschappelijk meest gewenste resultaat te staan zonder dat organisaties zich tekortgedaan voelen.

Het kabinet richt momenteel een investeringsfonds in voor het vergroenen en verduurzamen van de economie. Een bijdrage uit dat investeringsfonds zou het vliegwiel in beweging kunnen brengen. Wie weet zorgt dat ervoor dat we als sector écht toekomstgericht gaan denken en werken, in plaats van achterhoedegevechten blijven voeren op basis van afzonderlijke Excel-sheets.

Sander van der Heijden is procesregisseur openbare ruimte in de gemeente Tilburg. Als zijn visie u aanspreekt en u er eens verder over wilt praten, dan horen we dat graag. Neem hiervoor contact op met Edith Boonsma via edith.boonsma@cob.nl / 085 4862 410.

Rotterdam kiest voor de verbeelding

Dromen is een woord dat regelmatig terugkomt in een gesprek met Ignace van Campenhout, Kees de Vette en Petra van der Lugt van Ingenieursbureau Rotterdam. Zij werken al langer aan het zichtbaar maken van de ondergrond en het betrekken van die ondergrond bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad. Nu hebben zij hun pijlen ook gericht op bestuurders en jongeren.

Bijna drie jaar geleden presenteerde Ignace van Campenhout tijdens het COB-congres al de ‘stoplichtenkaart’; een eenvoudige hulpmiddel dat planontwikkelaars in een oogopslag laat zien waar je makkelijk iets in de ondergrond kunt doen en waar je zeker voor hoge kosten komt te staan. Er werd ook een begrippenkader ontwikkeld, waarbij begrippen uit respectievelijk de planologie en de ondergrond in een matrix tegen elkaar worden afgezet.

Anno 2013 zijn het nut en het belang van deze aanpak in de praktijk aangetoond. Met de stoplichtenkaart en wat daarna volgde heeft de ondergrond steviger op de kaart gezet. Ignace van Campenhout: “In de matrix wordt duidelijk waar de belangen van de verschillende disciplines elkaar versterken en waar ze elkaar juist in de weg zitten. Afstemming is niet voor elke postzegel noodzakelijk. Maar waar afstemming aan de orde is, gebruiken we dit systeem. Dat is als verplichting vastgelegd. We maken er nu ook gebruik van bij de ontwikkeling van de projecten Stadshavens, Central District, het Masterplan Ondergrond Binnenstad en Hart van Zuid.”

Verleiden

Een en ander was onderdeel van een bewustwordingsproces dat al in 2005 door het toenmalige ministerie van VROM werd aangeslingerd met het programma Ruimtelijke Ordening Ondergrond. Samen met Utrecht, Enschede en Arnhem nam Rotterdam het voortouw om de ondergrond zichtbaar te maken en inzicht te geven in kosten en baten. Ignace van Campenhout: “Dat was voor ons het startpunt om integraal naar de ondergrond te gaan kijken. De primaire vraag luidde toen: ‘Hoe kunnen we gebiedsontwikkelaars verleiden om de beschikbare informatie over de ondergrond vroegtijdig te gaan gebruiken?’ We organiseerden sessies met kaarten met levende legenda’s. En we zijn er na aanvankelijke scepsis daadwerkelijk in geslaagd plannenmakers te verleiden. Maar er kwamen ook andere zaken naar boven, waardoor we ons realiseerden dat het onvoldoende meewegen van de ondergrond in besluitvorming een communicatieprobleem is.”

“We kwamen tot de conclusie dat we eerder in het proces moesten instappen. Daaruit is de serious game ontstaan; een 3D-omgeving voor bestuurders. Daarmee kunnen we eenvoudig laten zien welke keuzes er zijn. Er zit een rekenmodel achter. Als je iets aanpast, zie je meteen de consequenties daarvan. De basis is een 3D-model met alle functies, vergelijkbaar met de SKB-BodemTool, waar een gameschil omheen is gebouwd. In de uitvoering is samengewerkt met TNO, Deltares, Ambient, Tygron en het COB. In het voorjaar van 2013 zijn we daadwerkelijk begonnen met het bouwen van de serious game. We verwachten dat een en ander medio 2014 is afgerond.”

“Bestuurders overtuigen is al een stap verder terug in het proces. Maar we wilden verder. Naar middelbare scholen. Naar het moment voordat bestuurders bestuurders worden. Als je medestanders wilt, moet je ervoor zorgen dat mensen goed zijn voorgelicht. De verbeelding is de basis. We willen ze laten dromen. Net als een architect met een droom kan overtuigen om een toren op Zuid te bouwen, willen wij mensen naar de mogelijkheden van de ondergrond laten kijken. Steeds weer samen kijken naar wat er mogelijk is.”

GeoWeek

Het programma voor het benaderen van jongeren staat nog in de kinderschoenen, maar er zijn al wel veelbelovende initiatieven ontwikkeld. Zo werd in april 2013 in het kader van de GeoWeek een rondleiding samengesteld.

Het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) heeft samen met een veertigtal organisaties de GeoWeek opgezet om binnen het vak aardrijkskunde praktisch aan te sluiten bij de huidige maatschappelijke en economische ontwikkelingen. (Foto: Peter Dorsman)

Leerlingen van het Develstein College uit Zwijndrecht en hun leerkracht aardrijkskunde verkenden het centrum van Rotterdam en stonden stil bij archeologie en ondergrondse bouwwerken en infrastructuur. Vooraf klassikaal opgestelde vragen over grondstoffen, aardbevingen, vervuiling, kabels en leidingen, verzakkingen en nog veel meer werden tijdens de rondleiding beantwoord. Aardrijkskundedocent Willy Diekerhof: “Wij hebben het als heel bijzonder ervaren om een educatief uitje op deze manier aan te pakken. De jongeren vonden het een leerzame en leuke middag.”

Ignace van Campenhout: “We hebben de verbinding tussen de ondergrond en de bovengrond kunnen maken en aan de hand van oude foto’s een vergelijking tussen het oude en het nieuwe Rotterdam kunnen bieden. De handout bood de mogelijkheid om de relatie tussen het kaartmateriaal en de realiteit te leggen. Activiteiten als deze rondleiding passen in het kennis- en innovatiebudget van Ingenieursbureau Rotterdam. We willen de ondergrond en de waarde ervan voor de stad zichtbaar maken. Daar blijven we aan werken. We denken over een fietsroute waarin we ook de ondergronds app verwerken, en we bieden via het COB het lesmateriaal aan in lespakket dat nu wordt ontwikkeld.”

Studenten ontwerpen RijnlandRoute

‘Leg de weg maar bovengronds aan. Dat is de meest duurzame oplossing.’ Of: ‘Kies voor duurzaam ruimtegebruik en plaats de sportvelden op de tunnel.’ Zomaar twee conclusies van studenten die aan de TU Delft de minor Sustainable Communities volgen. In een werkcollege onder leiding van Marcel Hertogh, hoogleraar integraal ontwerp, beheer en onderhoud van infrastructuur aan de TU Delft, namen de studenten deel aan een werkcollege waarbij de RijnlandRoute centraal stond.

Na een hoorcollege van Marcel Hertogh over de maatschappelijke ontwikkelingen die ervoor hebben gezorgd dat we van monofunctionele infrastructuurprojecten zijn gegroeid naar projecten waarin maatschappelijke waardecreatie centraal staat, volgde een uitgebreide presentatie over de RijnlandRoute. De toelichting op de RijnlandRoute door programmadirecteur Bert Driesse en projectleider Mark Verberkt, beiden van de provincie Zuid-Holland, had een verrassende analogie met het verhaal van Marcel Hertogh. Eind jaren zestig begon de discussie over een nieuwe verbindingsweg tussen Katwijk en Leiden op basis van een monofunctionele wens: files oplossen. Inmiddels gaat het ook over de economische ontwikkeling van het gebied, behoud van landschappelijke waarden, versterking van natuurwaarden en verbetering van de leefomgeving. Na de Rotterdamsebaan zal ook de tunnel in de RijnlandRoute worden aanbesteed met EMVI-criteria op het gebied van duurzaamheid. Om aan het begrip duurzaamheid concrete invulling te geven, is onder regie van het COB en onder voorzitterschap van Marcel Hertogh eerder al een Inspiratiedocument Duurzaamheid opgesteld, dat (deels) als leidraad kan dienen bij het beoordelen van het EMVI-criterium duurzaamheid in de aanbesteding.

De minor Sustainable Communities is gericht op het ontwerpen en bouwen van duurzame constructies. Studenten leren gerichte oplossingen te bedenken voor duurzaamheidsvraagstukken op het gebied van water, energie, materialen en constructief ontwerpen. In de integrale eindopdracht gaan de studenten aan de slag met een duurzaam ontwerp voor Dierenpark Emmen. Het werkcollege rondom de RijnlandRoute mondde uit in een kleinschalige vooroefening. Ter voorbereiding hadden zij het Inspiratiedocument Duurzaamheid en de afstudeerscriptie Tunnel visions on sustainability van Darinde Gijzel gelezen. Op basis van de algemene randvoorwaarden kregen de studenten de opdracht zo veel mogelijk waarde aan het project toe te voegen.

(Foto: COB)

Drie groepen, ieder met een gelijke vertegenwoordiging van studenten die zich hadden verdiept in de basismodules energie, water, materialen en ruimte & omgeving van de minor, bogen zich over drie oplossingsrichtingen, te weten een weg op maaiveld, een verdiepte weg of een weg in een tunnel. Vijf kwartier brainstormen en puzzelen met belangen en invalshoeken leverde oplossingen op die op onderdelen redelijk goed aansloten op het echte ontwerp, dat ter afsluiting door Bert Driesse en Mark Verberkt werd toegelicht.

Nieuwe techniek voor lekdetectie waterleidingen: vooral nuttig in Engeland

Lekken in waterleidingen opsporen aan de hand van drukgolven. Een slimme vinding van Engelse wetenschappers. Maar in Groot-Brittannië is de nood dan ook hoog: tot maar liefst vijfentwintig procent van het Engelse drinkwatertransport gaat verloren aan lekkage. Hoe staat het ervoor in Nederland?

11 september 2012 | AUTEUR: Armand van Wijck

Een bijzondere methode voor het opsporen van lekkages in ondergrondse waterleidingen kwam vorige maand langszij. Wetenschappers van Sheffield University publiceerden in het augustusnummer van het Journal of the American Water Works Association over het detecteren van lekken met behulp van drukgolven. Volgens de wetenschappers gaat het om een ‘betrouwbare techniek die de waterindustrie een enorme sprong vooruit kan helpen’. Maar heeft deze methode ook potentie voor de Nederlandse sector? Wat doet ons land eigenlijk aan lekdetectie?

“Er is in Nederland wel al onderzoek gedaan naar lekverlies en technieken en methoden om dit te minimaliseren, maar deze techniek om lekkages met drukgolven op te sporen kennen we hier nog niet”, weet Ralph Beuken, onderzoeker bij KWR Watercycle Research Institute. De Engelse methode gebruikt een meetinstrument dat op een brandkraan past en een drukgolf de waterleidingen instuurt. Zodra de golf een lekkage tegenkomt, wordt die deels teruggekaatst. Wanneer de weerkaatste drukgolf terug is bij de brandkraan, kan aan de hand van de verstreken tijd de afstand van een lek tot de brandkraan bepaald worden.

Meten met drukgolven lijkt een mooi idee, maar volgens Beuken zal deze techniek niet snel de overstap maken naar deze kant van Het Kanaal. “Lekkages zijn in Nederland een beperkt probleem. Veel beperkter dan in omliggende landen. In Engeland ligt het gemiddelde lekverlies rond de vijfentwintig procent, bij ons is het niet veel hoger dan drie procent.” Het op grote schaal inspecteren van leidingen om lekken op te sporen is in Nederland volgens Beuken dan ook niet lonend. Enkele specifieke situaties uitgezonderd, wegen de kosten van inspectie niet op tegen de beperkte vermindering van het lekverlies.

Zoek de verschillen

Hoe komt het dat drinkwaterverlies zo enorm verschilt tussen Nederland en Engeland? Dat wilden de Engelsen ook wel eens weten. In 2005 voerde KWR daarom samen met Engelse drinkwaterbedrijven een vergelijkend onderzoek uit. “Een van de oorzaken voor het lage lekverlies in Nederland is dat de druk in Nederland lager is dan in Engeland. Nederland is een vlak land, maar in Engeland liggen overal heuvels. Daardoor hebben zij een hogere waterdruk. Dit maakt leidingen gevoeliger voor lekkages en als een lek optreedt, stroomt het water er harder uit”, legt Beuken uit. Ook bestaat de Engelse ondergrond veel meer uit harde stenen, waar de leidingen tegenaan drukken. En de Nederlandse leidingenstelsels zijn veel jonger dan de Engelse, die voor een groot deel al waren aangelegd vóór de twintigste eeuw.

Een ander aspect is dat lekkages in Nederland sneller worden gemeld en daardoor eerder worden gerepareerd. Vanwege onze zanderige of kleiige ondergrond, meestal afgedekt met klinkers, leidt een lek al gauw tot een plas op straat. In Engeland met zijn meer rotsachtige bodem, die vaker is afgedekt met beton of asfalt, kan een lek jaren ongestoord stromen.

“Nog een verschil is dat waterbedrijven in Nederland vrij exact weten hoeveel water ze in het net pompen en hoeveel de klanten verbruiken”, aldus Beuken. In Nederland hebben vrijwel alle woningen een watermeter, terwijl in Engeland de waterconsumptie voor het grootste deel wordt geschat. Slechts veertig procent van de Engelse huishoudens beschikt over een watermeter. “De Engelsen zijn nu wel bezig om overal meters te plaatsen, maar het duurt wel even voordat miljoenen huishoudens bemeterd zijn.”

SmartBalls

Is het opsporen van lekkages in Nederland dan totaal overbodig? Op grote schaal wel, maar er zijn situaties waarin het wel wenselijk is. “Als er bijvoorbeeld een leiding in een dijk ligt, is het effect van een leidingbreuk veel groter. In dat geval kijken waterbedrijven extra kritisch naar de leidingen”, aldus Beuken. “Zo heeft Waternet twee jaar geleden een betonnen leiding over een lengte van vijfenvijftig kilometer getest die deels in een dijk van het Amsterdam-Rijnkanaal ligt.”

Hiervoor is gebruikt gemaakt van zogenaamde SmartBalls van het Canadese bedrijf Pure Technologies. Deze kleine balletjes – met een doorsnede van zeven centimeter en een schuimrubber omhulsel – bewegen met de waterstroom mee. Beuken: “Een lek produceert geluid, en op het moment dat de bal een lek passeert, wordt dit geluid geregistreerd.” In de aluminium kern van de SmartBall zit een akoestische sensor die het geluid opneemt, GPS en batterijen. Uit de proef bleek dat kleine lekkages vanaf ongeveer vijf liter per uur tot op enkele meters nauwkeurig worden gevonden. “Maar er zijn nog wel verbeteringen nodig voordat de techniek goed inzetbaar is”, aldus Beuken.

De meetmethoden in Engeland waren tot nu toe allemaal akoestisch. Dat levert bijvoorbeeld problemen op bij het detecteren van lekkages in plastic buizen, die een grotere akoestische demping hebben dan hun gietijzeren tegenhangers. Volgens de wetenschappers van Sheffield University heeft de drukgolvenmethode de potentie om de detectiesnelheid en nauwkeurigheid van het opsporen te verhogen. Hoewel de drukgolfmethode voor Nederland dus enigszins overbodig is, kan het de Engelse drinkwaterbedrijven een stuk verder helpen.

Tramtunnel

In 1996 begon de bouw van het Souterrain in Den Haag, een 1.250 meter lange tramtunnel onder de Grote Marktstraat met twee ondergrondse stations en tussen deze stations een 600 meter lange ondergrondse parkeergarage met twee parkeerlagen.

Volgens de planning zou het project voor het jaar 2000 gereed zijn, maar door grondwaterproblemen kwam het project ruim twee jaar stil te liggen en moest voor de afbouw gebruik worden gemaakt van een speciale bouwtechniek. Uiteindelijk werd de tunnel in 2004 in gebruik genomen. Sindsdien wordt hij gebruikt voor diverse tramlijnen en inmiddels ook door RandstadRail.

Tot de bouw van de tunnel werd besloten om het bovengrondse winkelgebied leefbaar en goed bereikbaar te houden. Dat is ondanks de problemen tijdens de bouw uitstekend gelukt. De drukke Grote Marktstraat is veranderd in een rustige, chique winkelpromenade en de ruim dertig trams per uur vervoeren dagelijks duizenden bezoekers naar en van de ondergrondse stations Spui en Grote Markt.

De Haagse tramtunnel, ook wel het Souterrain genoemd. (Foto: Flickr/Marco Raaphorst)

Bouwmethode

De tunnel is gebouwd volgens de wanden-dakmethode om overlast op maaiveld zoveel mogelijk te voorkomen. De wanden bestaan voor het grootste deel uit diepwanden en alleen ter plaatse van de Kalverstraat uit stalen damwanden. Op de meeste plaatsen staan de wanden zeer dicht op de bestaande bebouwing, die voornamelijk op staal is gefundeerd.

Over het grootste deel van het tracé bedraagt de afstand tussen de wanden ongeveer 15 meter, alleen ter plaatse van de stations staan ze circa 25 meter uit elkaar. Op de plekken waar de tunnel 15 meter breed is, is de bouwput aan de onderzijde voorzien van een groutboog, die bestaat uit korte elkaar overlappende jetgroutkolommen in de vorm van een afgevlakte ‘U’. De jetgroutboog is aangebracht om het grondwater tegen te houden en om de verticale kracht op de bouwputbodem door de opwaartse waterdruk naar de wanden te leiden. Verder functioneerde de boog tijdens de bouw als stempel voor de wanden. Hiervoor was het nodig dat de boog zo hoog mogelijk in de grond zat, zodat de stempelfunctie optimaal was en de wanden zo min mogelijk zouden vervormen. Het toepassen van een groutboog voor deze drie functies was nieuw.

Ter plaatse van de stations was de bouwput te breed om een groutboog te kunnen toepassen. Hier is gebruik gemaakt van een gellaag voor de verticale stabiliteit en het tegenhouden van het grondwater. Deze oplossing was in ons land al diverse keren met succes toegepast.

Groutboog niet waterdicht

De bouw startte in maart 1996. Het aanbrengen van de diepwanden en damwanden verliep vrijwel zonder verzakkingen van de nabijgelegen bebouwing. Toen het dak was aangebracht werd begonnen met het ontgraven van de bouwput. In februari 1998 was de bouwput op de Kalvermarkt bijna volledig ontgraven, toen er via wellen grondwater omhoog kwam. De groutboog bleek niet waterdicht. Er werd nog geprobeerd om de wellen te dichten met injecties en het aanbrengen van geotextiel en ‘big bags’ als ballast, maar dit bleek niet te werken. Nadat er naast de damwand een gat in de straat ontstond door weggespoeld zand, werd besloten om de lekkage te stoppen door de bouwput onder water te zetten. Hierdoor kwam de bouw stil te liggen.

Deze situatie duurde uiteindelijke ruim twee jaar. In deze periode werd beoordeeld of de lekkage aan de Kalvermarkt een incident was of dat de onbeheersbare welvorming inherent was aan de in het bestek voorgeschreven bouwmethode met de groutboog. Uit een faalkansanalyse bleek dat de kans om meer lekken in de groutboog groot was en dat het weggraven van grond boven een lekke groutboog alleen veilig is als er voldoende grond achterblijft op de boog. Bij de tramtunnel was een dergelijke gronddekking niet haalbaar, omdat de grond op sommige plekken vrijwel tot op de boog ontgraven moest worden.

Tramkom heeft daarom gezocht naar een alternatieve methode voor het afbouwen van de tunnel. Na verschillende opties te hebben bekeken, is besloten om de delen met een groutboog onder verhoogde luchtdruk (1,14 bar) af te bouwen om te zorgen dat er nauwelijks een verschil zou zijn met de waterdruk onder de groutboog. In juni 2000 werd voor de delen met een groutboog het contract omgezet in een ‘design & construct’. Tramkom nam daarmee de verantwoordelijkheid op zich voor het gewijzigde ontwerp. Verder werd afgesproken dat de overige delen van de tunnel volgens het bestek werden afgebouwd.

Verhoogde luchtdruk

Het afbouwen onder verhoogde luchtdruk, had ingrijpende gevolgen. Zo moesten er luchtsluizen worden gemaakt voor mensen en materieel en moest alle afgegraven grond via deze sluizen worden afgevoerd. Om de luchtkwaliteit in de compartimenten met hoge luchtdruk goed te houden werd er alleen met elektrisch materieel gewerkt. Verder konden de bouwers minder lang werken en moesten elke keer bij het verlaten van het compartiment maatregelen worden genomen om ‘caissonziekte’ te voorkomen.

Ook constructief waren er extra maatregelen nodig om geen problemen te krijgen door de hogere druk. Bij tunnel onder de Kalvermarkt moest de vloer boven de eigenlijke tramtunnel – die al was gestort – tijdelijk met een staalconstructie worden verstevigd. Verder moesten hier groutankers worden aanbracht om te voorkomen dat de stalen damwanden omhooggedrukt zouden worden. Onder de Grote Marktstraat was de vloer boven de tunnel nog niet gestort. Om deze vloer geschikt te maken voor de verhoogde luchtdruk werd hij veel zwaarder uitgevoerd en werd gekozen voor een andere verbinding met de diepwanden. Verder werd er tijdelijk ballast op de vloer geplaatst.

Bemalingsproblemen

In de zomer van 2000 werd ook het ontgraven van de bouwput voor station Spui hervat. In juli ontstond hier een wel, vlakbij het compartimenteringsscherm dat de bouwput van station Spui en de bouwput van de Kalvermarkt scheidde. Deze laatste stond nog onder water. Na enkele uren bezweek het scherm en liep ook de bouwput bij het Spui onder. Om dit probleem te verhelpen werd eerst het scherm versterkt en vervolgens grond tegen het scherm aangebracht. Daarna kon het water uit de bouwput Spui worden gepompt.
De maanden daarna bleef de bemaling – die gedurende de tweejarige bouwstop steeds had gefunctioneerd en water wegpompte tussen de gellaag en een daar boven gelegen veenlaag – problematisch. Filters slibden dicht waardoor onvoldoende grondwater kon worden weggepompt. Daardoor dreigde de waterspanning onder de veenlaag zo hoog te worden dat deze zou opbarsten en vervolgens de diepwanden zouden vervormen.

Om de bemaling weer op het gewenste niveau te krijgen, zijn verschillende maatregelen genomen. De grond uit de bouwput is in sleuven van ongeveer zes meter afgegraven over de breedte van de bouwput. Nadat een sleuf was ontgraven is hierin een werkvloer gestort die tegelijkertijd als stempel diende. Voor de bemaling is een groot aantal grondpalen aangebracht, die op de hoogte van de veenlaag waren ‘afgestopt’ en daaronder waren voorzien van een filter. Dat maakte het mogelijk om deze palen ‘aan’ en ‘uit’ te zetten. Pas als het ontgraven begon startte de bemaling. Door deze werkwijze hoefde de bemaling per sleuf slechts drie weken te werken.

Inzichten

Door alle problemen werd de tunnel uiteindelijk ruim vier jaar later in gebruik genomen dan gepland en namen de bouwkosten met circa 100 miljoen euro toe. Na deze moeilijke start, functioneert de tunnel goed. De problemen hebben ook tot de nodige inzichten geleid. Zo concludeert de Delftse hoogleraar funderingstechniek Frits van Tol in 2004 in een artikel in het blad Geotechniek onder andere dat de Tramtunnel nog eens heeft duidelijk gemaakt dat bij ondergronds bouwen:
voldoende robuust moet worden ontworpen
rekening moet worden gehouden met afwijkingen in de bodem en de gerealiseerde (deel)constructies
vooraf moet worden geïnventariseerd welke gevolgen het falen van onderdelen van de constructie hebben
en vooraf maatregelen moet zijn voorbereid om de gevolgen van falen te minimaliseren.
Ook geeft hij aan dat bij de toepassing van waterkerende lagen die zijn gemaakt met groutinjecties, altijd rekening moet worden gehouden met lekken. Verder adviseert hij om softgellagen alleen als waterremmende laag te gebruiken als de bouwfase niet langer dan twee jaar duurt.

Financiering en beheer Westerscheldetunnel

Dit artikel is onderdeel van een tweeluik, zie het artikel ‘Beter beheer, heeft de financieringsvorm daar invloed op?

De Westerscheldetunnel, met 6,6 kilometer de langste wegverkeerstunnel van Nederland, werd in 2003 geopend. De geboorde tunnel wordt voor een periode van dertig jaar geëxploiteerd door de N.V. Westerscheldetunnel, die gedurende die periode tol heft. In 2033 wordt de tunnel overgedragen aan het Rijk.

“Kenmerkend voor de Westerscheldetunnel is dat de klant vooropstaat in beschikbaarheid en de tariefstelling. We kunnen ons bijvoorbeeld niet veroorloven dat we de tarieven ineens met tien procent moeten verhogen”, zegt algemeen directeur Harald Schoenmakers. “Onze focus op de klant is een belangrijk deel van het succes. In alles staat voorop dat we het voor de klant doen. Die aanpak kun je niet in het hele land realiseren. Als in 2033 de tol eraf gaat, wordt ook de Westerscheldetunnel alsnog een ‘gewone’ tunnel.”

(Foto: N.V. Westerscheldetunnel)

“Wij zijn gebaat bij voorspelbaarheid en hebben daarom gekozen voor een langjarig onderhoudscontract. In 2013 hebben we na een Europese aanbesteding een contract afgesloten voor twintig jaar met onderhoudsaannemer WM (Westerscheldetunnel Maintenance, bestaande uit Croonwolter&dros, Mobilis en BAM, red.). Dat betekent dat we op papier weten wat ons te wachten staat. Operationeel en financieel weten we wat er gebeurt. Dat is een belangrijk verschil met andere tunnels waar kortere contractduren gelden.”

Ook in de afspraken die zijn gemaakt, gaat de exploitatiemaatschappij op zeker. Manager technisch beheer en onderhoud Patrick Dankaart: “We hebben een contractvorm waarbij de aannemer grotendeels invulling geeft aan de uitvoering, maar waarbij we toch zo’n beetje de helft hebben voorgeschreven. Toen de Westerscheldetunnel werd geopend, was er nog geen nationale tunnelwetgeving. Maar in de gebruiksvergunning van de gemeente Borsele waren wel al allerlei bepalingen opgenomen ten aanzien van het testen van installaties. Dat geldt voor alles, waardoor we nooit discussie hebben over wat het betekent dat een installatie ‘functioneel werkt’; niet met het bevoegd gezag en niet met de aannemer.”

Hoge beschikbaarheid

Met ongeveer een kwart van het twintigjarig contract achter de rug is men bij de N.V. Westerscheldetunnel dik tevreden met de samenwerking met de aannemer. De tunnel is ruim 98% van de tijd beschikbaar zonder beperking in een van de tunnelbuizen. En zelfs tijdens de renovatie (eind 2016 – half 2018), die deel uitmaakte van het langjarige contract, kwam de beschikbaarheid maar een half procent lager uit. Harald Schoenmakers: “Niet-beschikbaarheid vanwege onvoorzien falen van de tunnel is de kleinste factor. De impact van ongevallen en pechgevallen is veel groter.”

De paar procent niet-beschikbaarheid komt voort uit de nauwgezet geplande vierwekelijkse nachtelijke onderhoudsafsluitingen die om en om per tunnelbuis worden uitgevoerd. De verbinding tussen Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen blijft dan met tegenverkeer mogelijk in een van de tunnelbuizen. Met een verkeersaanbod van circa 1.000 auto’s tussen 21.00 en 4.00 uur treft die aanpak slechts een zeer beperkt deel van de passanten. Volledige uitval van de tunnel zou – zeker overdag – enorme consequenties hebben. In de spits kan het aantal passanten oplopen tot 2.800 per uur. Die zouden allemaal tot zo’n honderd kilometer moeten omrijden. “De mate van technische beschikbaarheid zou zonder tol dus niet anders zijn”, stelt Harald Schoenmakers.

‘In de spits kan het aantal passanten oplopen tot 2.800 per uur. Die zouden allemaal tot zo’n honderd kilometer moeten omrijden.’

“De bereikbaarheid en het feit dat er geen alternatieve route beschikbaar is, zijn in de beginperiode al heel bepalend geweest voor de inrichting van beheer en onderhoud. Het heeft er toen al toe geleid dat we voorliepen op de wet- en regelgeving. Bij het afsluiten van het nieuwe contract in 2012 zijn we vanuit die basis verder gaan werken.” Patrick Dankaart: “We hebben het voordeel dat veel installaties redundant zijn uitgevoerd, dat tegenverkeer mogelijk is en dat de tunnel van meet af aan technisch in orde is geweest. Maar dat neemt niet weg dat we de beschikbaarheid niet wilden laten afnemen. De renovatie is nu een half jaar achter de rug en de beschikbaarheidscijfers zien er goed uit.”

Contact met de klant

In 2018 brak de Westerscheldetunnel door de grens van 7,5 miljoen passages. “Op werkdagen passeren drie keer zoveel voertuigen als op de veerboten voordat de Westerscheldetunnel werd geopend”, weet Harald Schoenmakers. Circa twee derde van die passages komt voor rekening van de 55.000 abonnees die gebruikmaken van de t-tag.

Harald Schoenmakers: “We zien gebruikers ook echt als klanten. We gebruiken verschillende communicatiekanalen om in contact te blijven en we faciliteren klanten in de betaalwijze. Naast de t-tag kunnen klanten zo’n vijftien verschillende kaarten gebruiken en sinds kort ook contactloos betalen. Eens per drie jaar voeren we een klanttevredenheidsonderzoek uit. Op basis van de resultaten doen we waar nodig aanpassingen.”

Ruimte voor innovatie

Uitgangspunt van de in de zomer van 2018 afgesloten renovatie was dat alle installaties tot aan de overdracht van de tunnel aan het Rijk mee zouden kunnen. De aannemerscombinatie is gedurende die periode verantwoordelijk voor het voorkomen en oplossen van storingen en vervangingen. Als uitvoerder van de renovatie heeft die partij daar ook het beste zicht op. Vijftien jaar komt overeen met de verwachte technische levensduur. Maar daarmee is nog niet voorzien in de potentiële technische ontwikkelingen die tot vroegtijdige vervanging zouden kunnen leiden. Dat zou bijvoorbeeld kunnen gelden voor energiezuiniger systemen. In het contract met Westerscheldetunnel Maintenance is juist vanwege de lange duur ruimte gelaten voor tussentijdse aanpassingen.

Harald Schoenmakers: “Al bij de renovatie hebben we afspraken gemaakt over de mogelijkheid om innovaties toe te passen. Dat is met wat wij de ‘state-of-the-art-clausule’ noemen gebeurd met het snelheidsdetectiesysteem. Je kunt je voorstellen dat we de komende jaren omwille van het energieverbruik besluiten de verlichting eerder te vervangen. Waar dat in het belang is van de klant, kijken we samen met de aannemer naar potentieel toepasbare nieuwe ontwikkelingen.”

mixen en matchen geeft innovatie vaart

“Waanzin is altijd hetzelfde blijven doen en toch een ander resultaat verwachten”, zei Albert Einstein al. Adrie van Duijne (KIEN) en Karin de Haas (COB) omarmen die uitspraak van harte. Zij willen de manier waarop we ondergrondse vraagstukken beantwoorden anders aanpakken. Sneller, slimmer. Meer gericht op wat ons bindt dan op wat ons onderscheidt. En meer gericht op waarde dan op bezwaren.

“Met een andere aanpak kunnen we gaan denken aan wat een tunnel oplevert en niet alleen aan de kosten”, aldus Karin de Haas. Adrie van Duijne: “Naast het primaire doel van een tunnel kun je andere functies toevoegen. Een groene long in de stad. Of een waterbassin. Zo kun je extra waarde creëren.”

Uit Einsteins opmerking volgt dat je een ander resultaat mag verwachten als je een vraagstuk op een andere manier aanvliegt. Van Duijne en De Haas deden dat op verzoek van de gemeente Den Haag. Doel was ervoor te zorgen dat de duurzaamheidsambities van Den Haag maximaal tot hun recht komen in de plannen voor de Rotterdamsebaan. Karin de Haas: “Het is een goed voorbeeld gebleken van hoe een andere benadering inderdaad tot ander resultaat leidt.”

Ten behoeve van de Rotterdamsebaan werd begin 2014 een expertteam gevormd dat in korte tijd een integrale visie op duurzaamheid opleverde. De bevindingen, opgedeeld in drie ambitieniveaus, zijn direct bruikbaar in de aanbestedingsprocedure voor dit project en kunnen als inspiratiebron dienen voor toekomstige projecten. De experts kwamen uit allerlei verschillende netwerken, zowel van het COB, KIEN en de TU Delft als ver daarbuiten. Karin de Haas: “We hebben ook de hulp gevraagd van de gebruikers van de toekomst. Jongeren van NXT Generation hebben een waardevolle bijdrage geleverd en ons een lesje in nederigheid gegeven. Hun intuïtieve denkwijze maakt dat zij innovaties uit een ander werkveld veel gemakkelijker kunnen vertalen naar dat van ons.”

Het idee is dat je een team vormt van experts die geen directe binding met een project hebben. Dat maakt het makkelijker om informatie en inzichten te delen en tot kruisbestuiving te komen. Karin de Haas: “We wisten zeker dat we niet wisten waartoe de markt in staat is. We wilden de markt optimaal uitdagen om al hun innovatiekracht en creativiteit in te zetten en zo de opdrachtgever te helpen selectiecriteria te formuleren. De gebruikelijke experts waren niet beschikbaar omdat zij wilden meedoen in de aanbesteding. Maar we wisten zeker dat ook daarbuiten voldoende expertise beschikbaar moest zijn. Sterker nog, met die andere experts konden we nieuwe inzichten aanboren. Er ontstond een mix van invalshoeken, kennis en ervaring. Een snelkookpan die nieuwe inzichten opleverde die desalniettemin op draagvlak konden rekenen.”

Adrie van Duijne: “Die inzichten zijn de nieuwe vergezichten; de uitdagingen. Het is net als met president Kennedy, die in 1961 als doel stelde om een man op de maan te zetten. Hij wist nog niet hoe, maar hij wilde het. En acht jaar later kon het. Je moet een stip op de horizon zetten. Dan kun je tot vernieuwing komen die je eerst niet voor mogelijk had gehouden. Het expertteam is ook begonnen met het ontwikkelen van een gezamenlijke droom, namelijk: ‘Wat is voor ons een duurzame tunnel?'”

Een expertteam samenstellen

Het expertteam Duurzaamheid is min of min willekeurig samengesteld. Dat is een belangrijke succesfactor gebleken. Er waren geen criteria vooraf. ‘Vind je dat je geschikt bent en zo ja, waarom?’, was de kern van de vraag die breed is uitgezet.

“Je moet durven nieuwsgierig te zijn naar invalshoeken die je zelf niet kent en mensen de ruimte geven”, aldus Karin de Haas. “Wij zijn niet de experts, maar weten wel waar we mensen met relevante expertise kunnen vinden en hoe we ze kunnen uitdagen. In de praktijk blijkt vooral belangrijk dat je de juiste combinatie maakt. Jonge honden naast oude rotten. Mensen die de grenzen van innovatie opzoeken, naast mensen die primair voor zekerheid gaan. Aanvallers en verdedigers. En dat onder leiding van een voorzitter die kan verbinden. Vervolgens moet je de inbreng – variërend van visiestukken tot berekeningen met zeven cijfers achter de komma – natuurlijk nog wel vertalen naar de praktijk. We hebben onze vertaling teruggekoppeld naar de experts met de vraag: ‘Ben je hier gelukkig mee?’ Daarmee is het benodigde draagvlak voor het Inspiratiedocument gecreëerd.”

Opdrachtgevers ondersteunen

Het actief samenbrengen van experts uit allerlei richtingen blijkt in de praktijk een snelle en effectieve methode om opdrachtgevers in staat te stellen hogere ambities na te streven. Binnen de eigen organisatie is daar meestal geen ruimte meer voor.

Adrie van Duijne: “Opdrachtgevers beperken zich steeds meer tot hun kernprocessen en weten niet meer wat er te koop is. Het gebrek aan technische expertise bij opdrachtgevers leidt ertoe dat bij investeringen in infrastructuur geen state-of-the-art-oplossingen worden gevonden. De opdrachtgever heeft een integrale vraag waar een sectoraal aanbod tegenover staat. Die mismatch tussen vraag en aanbod kun je vermijden door vanuit het probleem of de ambitie te vertrekken.”

Voor de Rotterdamsebaan betekende dat concreet dat de noodzaak van een oplossing voor de bereikbaarheid van Den Haag werd gekoppeld aan de ambitie van de stad om in 2040 klimaatneutraal te zijn. Daar werd ineens kristalhelder dat je een tunnel die honderd jaar mee moet gaan, niet kunt bouwen zonder die duurzaamheidsambitie mee te nemen, of, liever nog, tot uitgangspunt te benoemen. En zo ontstond er ruimte voor een alternatieve aanpak zoals dit expertteam.

Knippen plakken?

Het feit dat de gehanteerde werkwijze voor de Rotterdamsebaan goed is uitgepakt, wil niet zeggen dat deze zonder meer gekopieerd kan worden voor elke willekeurige vraag. “Toch zijn er wel wat algemene stelregels die we kunnen destilleren”, zegt Karin de Haas.

  • Zorg voor een inspirerend voorzitter/ trekker/begeleider die kan verbinden en de rode draad blijft zien
  • Begin met inspiratie, een droombeeld, een visie
  • Neem niet te veel tijd, dat haalt de energie er maar uit
  • Zorg dat er alleen maar mensen meedoen die in de ambitie geloven
  • Wees nieuwsgierig naar de kennis die anderen hebben
  • Meer weten staat niet gelijk aan beter weten
  • Ga niet op zoek naar het kind in jezelf; vraag het een kind
  • Zoek naar de 80% waarin jouw opgave lijkt op die van een ander, richt je dus niet op de 20% die je daarvan onderscheidt

Dit was de Onderbreking Waardering

Bekijk een ander koffietafelboek: