Loading...

De Onderbreking

Waardering

Waardering

Zuidasdok integraal aangepakt

Schiedam, Ketheltunnel

De visie van… Henk Werksma

Financiering en beheer Wijker- en Noordtunnel

Winnaar techniek: Ruud Arkesteijn

Amsterdams Beursplein in oude glorie hersteld

Den Haag, Tramtunnel

Kabels en leidingen bij gebiedsontwikkeling

Zo kan het ook: toffe tunnels

Kennisbank

Waardering

In de praktijk wordt veel gesproken over integrale gebiedsontwikkeling, maar men vergeet vaak de potentie van de bodem. De ondergrond kan een kwaliteitsimpuls geven aan de bovengrond. Welke waarde voegt ondergronds ruimtegebruik toe? Kunnen we die meerwaarde ook hard economisch neerzetten?

De huidige ruimtelijke ordening is primair gericht op de bovengrondse ruimte. Wanneer de ondergrondse ruimte als volwaardige component in de planvorming wordt meegenomen, komen de kansen in beeld. Zo kan ondergronds ruimtegebruik positief bijdragen aan maatschappelijke opgaven, zoals de energietransitie en klimaatverandering. Door functies ondergronds te brengen, blijft er bovengronds ruimte over voor andere doeleinden. Deze toegevoegde waarde van ondergronds bouwen is echter lastig in kaart te brengen, terwijl de kosten vaak relatief goed zijn in te schatten.

Veel participanten hebben met deze kwestie te maken en het COB wil hen hierin ondersteunen. Er spelen civieltechnische, juridische, beleidsmatige en economische vragen die in samenhang bekeken moeten worden om de ondergrond op waarde te kunnen schatten.

Zuidasdok: vier opdrachtgevers, één projectorganisatie

Half maart is het Ontwerp Tracébesluit voor het project Zuidasdok vastgesteld. Het is een nieuwe mijlpaal in de ontwikkeling van de Zuidas en de bereikbaarheid van de noordelijke Randstad. Het Zuidasdok moet leiden tot betere bereikbaarheid en verdere ontwikkeling van de Zuidas tot toplocatie voor zowel werken als wonen en als verblijfsgebied. De bouw start in 2017.

Het Zuidasdok omvat verbreding, het deels ondergronds brengen van de A10 Zuid en uitbreiding van het station Amsterdam Zuid. De snelweg A10 krijgt in totaal acht rijstroken voor doorgaand verkeer en vier stroken voor bestemmingsverkeer. De weg komt ter hoogte van het huidige station over een lengte van een kilometer onder de grond te liggen. Zo ontstaat ruimte om station Amsterdam Zuid te laten uitgroeien tot een hoogwaardig openbaarvervoerknooppunt en kan er bovengronds een aaneengesloten woon-, werk- en winkelgebied ontstaan. Verbetering van de luchtkwaliteit als gevolg van het ondergronds brengen van een deel van de A10 maakt kwalitatief hoogwaardige woningbouw mogelijk.

Impressie centrumgebied Zuidas met de A10 in de huidige en toekomstige situatie. (Beeld: brochure Zuidasdok)

Het project, dat 1,9 miljard euro kost en circa tien jaar zal gaan duren, bestrijkt het gebied tussen knooppunt De Nieuwe Meer en knooppunt Amstel, een afstand van circa zes kilometer. Bij die knooppunten worden doorgaand en afslaand verkeer van elkaar gescheiden. Het gehele project wordt in alle opzichten integraal opgepakt. Ruimtelijk en functioneel, maar bijvoorbeeld ook ten aanzien van de veiligheid. Er is een projectorganisatie opgezet waarin deskundigen vanuit onder andere Rijkswaterstaat, ProRail en de gemeente Amsterdam hun plek hebben gevonden.

Het plangebied Ontwerptracébesluit. Het gearceerde deel betreft het Ontwerpbestemmingsplan. (Beeld: brochure Zuidasdok)

Integraal is noodzaak

Hans Versteegen, projectdirecteur: “De integrale aanpak is noodzakelijk. Geen enkele partij kan zelfstandig haar opgave realiseren. Wil je hier iets van de grond krijgen, dan moet je dat in gezamenlijkheid doen. In 2012 hebben de opdrachtgevers – het Rijk, de gemeente Amsterdam, de stadsregio en de provincie Noord-Holland – elkaar weten te vinden in een unieke oplossing, met name voor het bereikbaarheidsprobleem van verschillende vervoersmodaliteiten. De opdrachtgevers weerspiegelen de modaliteiten die erin zitten: het Rijk vanuit weg en spoor, de gemeente Amsterdam vanuit openbare ruimte en metro, en de provincie en de stadsregio vanuit de openbaarvervoerterminal (OVT). Voor de projectorganisatie en het slagen van het project is het cruciaal dat de opdrachtgevers elkaar blijven vinden.”

“De risicoverdeling is 75% Rijk en 25% gemeente. Dat is maar een deel van de gezamenlijkheid. Het gaat ook om de uitvoering. Daarvoor is een aparte projectorganisatie opgezet. Daarin zitten weliswaar ook mensen vanuit die organisaties, maar zij zitten daar niet als belangenbehartiger van hun moederorganisatie. Met de kennis en expertise van alle domeinen hebben we een integrale organisatie die werkt aan een integrale opgave. Daarvoor hebben we bewust gekozen. Want als je gaat organiseren in verschillende pakketten, gaat iedereen terug naar zijn eigen achterban en kom je telkens opnieuw in discussies terecht.”

Alleen gezamenlijk

“We werken op een postzegel. Dat betekent dat de belanghebbende opdrachtgevers elkaar bij elke beweging tegenkomen. Als iedereen het in zijn eigen domein zou organiseren, is dat niet alleen heel inefficiënt, maar creëer je ook teleurstelling. De partijen kunnen hun doelen alleen met hulp van de anderen bereiken. Alleen in gezamenlijkheid kom je tot resultaten. En dat betekent ook dat iedereen concessies moet doen. En soms af moet wijken van wat je idealiter zou willen. Je kunt de taart van ruimte niet groter maken. Op het moment dat een partij meer ruimte vraagt, gaat dat altijd ten koste van ruimte van de ander. Je moet dus allemaal een beetje inschikken. De onderhandelingen hebben tot consensus geleid. Hoofdopgave is dus om ervoor te zorgen dat die gezamenlijkheid intact blijft.”

Voor station Amsterdam Zuid, onder het Mahlerplein, komt een fietsgarage voor drieduizend fietsen en een waterberging. Het ontwerp is gemaakt door architect Paul van der Ree van Movares. BAM is verantwoordelijk voor de bouw, die half augustus 2015 begint. (Beeld: Movares)

Het ontbrekende stukje

Tussen Delft en het Kethelplein bij Schiedam is tussen 2011 en 2015 het ontbrekende deel van de A4 aangelegd. Onderdeel van dit zeven kilometer lange stuk snelweg is de Ketheltunnel, een landtunnel op de grens van de gemeenten Schiedam en Vlaardingen.

De Ketheltunnel (Foto: COB) ligt grotendeels op maaiveld en heeft twee buizen en een middenkanaal dat onder andere dient als vluchtroute. De tunnel is bijna veertig meter breed en is een categorie C-tunnel. Dat houdt in dat vrachtauto’s met gevaarlijke stoffen die kunnen exploderen, niet door de tunnel mogen.

De weg tussen de noordelijke tunnelmond en Delft is grotendeels verdiept aangelegd om verstoring van het open weidelandschap van Midden-Delfland zoveel mogelijk te voorkomen. Ten noorden van de tunnel ligt de weg bijna anderhalve kilometer lang ruim zes meter diep in een bak met geluidswerende wanden en naar beneden gerichte ledverlichting. Vervolgens ligt de weg ruim tweeënhalve kilometer half verdiept – circa twee meter onder maaiveld – met aan beide zijden een begroeide aarden wal.

Bij de realisatie van de tunnel is veel aandacht besteed aan een goede landschappelijke inpassing en het minimaliseren van overlast voor de omgeving. Bovenop de constructie is bijvoorbeeld een park aangelegd, waarin omwonenden kunnen recreëren. Verder liggen tegen de zijwanden aarden taluds om de landtunnel aan het oog te onttrekken. In deze taluds zijn de drie dienstgebouwen aangebracht. Het noordelijke deel van de tunnelconstructie is met betonnen luifels verbreed tot tachtig meter. Op dit bredere deel zijn sportvelden aangelegd en onder de luifels zijn parkeerplaatsen gemaakt.

Het wegdek van de tunnel ligt direct op het zand en de vier wanden van de tunnel – de buitenwanden en de wanden van het middenkanaal – zijn elk gefundeerd op een rij vibropalen. De tunnel is opgebouwd uit vijftig moten van veertig meter lang die ter plekke zijn gemaakt.

Tunnelbuizen

De oostelijke tunnelbuis, met verkeer richting Delft, is 1.620 meter lang en heeft vier rijstroken. De westelijke buis, met verkeer richting Kethelplein, is 1.950 meter lang en heeft drie rijstroken. Twee daarvan zijn voor doorgaand verkeer. De derde rijstrook is de afrit naar de A20 richting Hoek van Holland. Deze splitst al voor de tunnel af en loopt, afgescheiden door verdringingsstrepen, parallel aan de hoofdrijbanen. Voor de vroege afsplitsing is gekozen om weefbewegingen in de tunnel te voorkomen. In de westelijke tunnelbuis is voldoende ruimte om in de toekomst een vierde rijstrook aan te leggen.

Door de verschillende lengtes liggen de tunnelmonden van de tunnelbuizen aan de zuidzijde ruim driehonderd meter van elkaar af. De oostelijke buis begint meer naar het noorden, omdat in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warvw) is vastgelegd dat er tien seconden rijtijd moet zitten tussen een samenvoeging – in dit geval het Kethelplein – en het begin van de oostelijke tunnelbuis.

Visualisatie van de verspringende tunnelmonden aan de zuidzijde. (Beeld: Rijkswaterstaat)

Aan de noordzijde liggen de tunnelmonden wel naast elkaar. De tunnel gaat hier over in het verdiepte tracé. Daarna volgt het half verdiepte deel. In Delft sluit de weg op maaiveld aan op de bestaande A4 richting knooppunt Ypenburg.

Grondwater

Een paar maanden voor de opening van de tunnel, op 18 december 2015, was het nog even spannend of Rijkswaterstaat alle vergunningen rond zou krijgen. De diepwanden van de verdiepte bak bleken minder waterdicht dan gedacht. Daardoor moet dagelijks ongeveer 1.400 kubieke meter grondwater rond de bak worden onttrokken in plaats van de geplande 400 kubieke meter. Door deze grotere onttrekking kan er schade aan gebouwen in de omgeving ontstaan en kan het veen sneller inklinken. Dat was reden voor het waterschap om de benodigde watervergunning niet zonder meer af te geven. De vergunning kwam pas nadat Rijkswaterstaat had aangegeven een deel van het onttrokken water via retourbemaling diep in de bodem te herinfiltreren en het grondwaterpeil en de gebouwen uitgebreid te gaan monitoren.

Ordenings- en waarderingsvraagstukken scherp in beeld krijgen

“Toen ik de uitvraag voor een coördinator Ordening en waarde onder ogen kreeg, twijfelde ik niet om te solliciteren. Al vanaf het winnen van de Schreudersstudieprijs in 2002 is het drieluik ondergrond-ordening-waarde een rode draad in mijn werkzame bestaan. Ik ben al sinds 2013 facilitator voor de carrousel Ondergrond en Ordening en nu mag ik de werkzaamheden uitbreiden als coördinator.”

19 mei 2015 | Henk Werksma, COB-coördinator Ordening en waarde

“Mijn afstudeerscriptie (civiele techniek / 1998) ging over ondergrondse infrastructuur en meervoudig ruimtegebruik. De door het COB ontwikkelde Strategische studie ondergronds bouwen (1997) was mijn bijbel. Wat een mooi vak! Het gaat niet alleen over techniek, maar ook over geld, samenwerking en meervoudig ruimtegebruik. Dit mooie nieuwe vak was mede reden om verder te studeren: technische planologie in Groningen. Mijn afstuderen over ondergronds ruimtegebruik in bestemmingsplannen werd beloond met de eerste Schreudersstudieprijs! Logisch dus dat ik in mijn carrière bij TNO (2001-2006) en H2Ruimte (2006-heden) altijd bezig ben geweest op het snijvlak van ondergronds ruimtegebruik en ruimtelijke ordening.

Wat wil ik bereiken als coördinator van het aandachtsgebied Ordening en waarde? Ik wil samen met het COB-netwerk de ordening en de waardering van ondergronds ruimtegebruik een stap verder brengen. Welke waarde voegt ondergronds ruimtegebruik toe? Kunnen we die meerwaarde ook hard economisch neerzetten? Ik vind de Haagse tramtunnel – het Souterrain – bijvoorbeeld bijzonder interessant. De uitvoering was niet probleemloos, maar wat is dat een bijzonder kunstwerk geworden. Neem bijvoorbeeld dat bamboebos in de parkeergarage. Briljant toch? Het is verder fascinerend om te zien hoe ook de bovengrondse omgeving hier floreert en een brandpunt wordt in de stad. De waarde van het Souterrain lijkt zich uit te strekken over het hele gebied. Kunnen we dit economisch hard maken?

In de vastgestelde COB-kennisagenda voor de jaren 2015-2020 zijn de piketpaaltjes geslagen voor mijn werkprogramma. De komende tijd wil ik graag met het netwerk in gesprek om binnen die paaltjes vragen en worstelingen rondom ordenings- en waarderingsvraagstukken scherp in beeld te krijgen. Als coördinator wil ik vervolgens graag die vraagstukken samen oppakken. Ik zie daarbij het Platform O&O als een belangrijke plek voor ontmoeting en ontwikkeling. Hier kunnen we samen onze vragen uitdiepen en ontwikkelingen in gang zetten. Ik hoop velen van u te ontmoeten de komende tijd!”

Financiering en beheer Wijker- en Noordtunnel

Dit artikel is onderdeel van een tweeluik, zie het artikel ‘Beter beheer, heeft de financieringsvorm daar invloed op?

Stoffel de Ronde vertegenwoordigt als technisch adviseur de belangen van de exploitatiemaatschappijen van de Wijkertunnel en de Tunnel onder de Noord (Noordtunnel) in het overleg met Rijkswaterstaat, die de tunnels beheert. Beide exploitatiemaatschappijen – feitelijk de eigenaren van de tunnels (zie kader) – hebben belang bij een hoge beschikbaarheid. Hun investeringen in de tunnels worden gedekt door een vergoeding per passerend voertuig. Toch is er in de praktijk geen prikkel om naar een permanente beschikbaarheid te streven, blijkt uit de woorden van Stoffel de Ronde: “Voor beide tunnels is buiten de spits een alternatief beschikbaar. Voor de Wijkertunnel is dat de Velsertunnel en naast de Noordtunnel ligt een brug. Voor alle passages, ook degene die bij onderhoud via de alternatieve routes plaatsvinden, wordt 24/7 een bedrag per passerend voertuig afgedragen. Dit leidt ertoe dat onderhoud in de stille uren kan plaatsvinden door buisafsluiting en dat de exploitatie daarbij niet wordt geschaad.”

Beide tunnels zijn conform de wet in beheer bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de facto bij Rijkswaterstaat. Het onderhoud is door de eigenaren uitbesteed aan Rijkswaterstaat tegen een vaste, geïndexeerde vergoeding. Beheer en onderhoud wijken in de praktijk dan ook niet af van dat van de andere tunnels die Rijkswaterstaat in beheer heeft. Stoffel de Ronde: “Men is hooguit wat scherper, omdat er verantwoording moet worden afgelegd aan de exploitatiemaatschappijen. Men voelt een beetje mijn hete adem in de nek.” Als voorbeeld noemt hij een kwestie van enkele jaren geleden, toen het onderhoud van de ingangsverlichting bij de Noordtunnel te wensen overliet. “Bij een werkbezoek constateerde ik naast wat andere gebreken dat bij de oostelijke in- en uitrit vrijwel geen lamp brandde. Na onderzoek bleek dat het onderhoud van de weg en dat van de tunnel binnen Rijkswaterstaat door verschillende afdelingen in contracten was ondergebracht en dat de in-/uitrit in geen van beide contracten was meegenomen. Het kwam aan de oppervlakte doordat ik die gebreken signaleerde, maar het had niet primair te maken met een andere wijze van financiering.”

In de Noordtunnel ligt de autosnelweg A15 onder de Noord. (Foto: beeldbank Rijkswaterstaat/Harry van Reeken)

“De betrokkenheid van de exploitatiemaatschappijen leidt soms wel tot een andere focus”, vervolgt Stoffel de Ronde. “Zo is veiligheid voor de eigenaren ook gekoppeld aan imago. Men wil in geen geval geassocieerd worden met onvoorziene veiligheidsrisico’s. Dat zorgt echter niet voor andere veiligheidsmaatregelen; ook voor de Wijkertunnel en de Noordtunnel worden de landelijke richtlijnen gehanteerd. Maar de andere focus van de (externe) eigenaar heeft er bijvoorbeeld wel toe geleid dat er bij de Noordtunnel een extra technische man is opgenomen in het team dat het onderhoud beheert. Een ander verschil is dat de exploitatiemaatschappijen, als eigenaar van de opstallen, hun bezit verzekeren. Daar speelt ook de beschikbaarheid een rol. En daarom zijn alle ruimten in de dienstgebouwen met vitale delen, die niet binnen een dag vervangen kunnen worden, voorzien van een blusgassysteem.”

‘Veiligheid is voor de eigenaren ook gekoppeld aan imago. Men wil in geen geval geassocieerd worden met onvoorziene veiligheidsrisico’s.’

De financieringsafspraken lopen dertig jaar. Dat betekent dat het eigendom na die periode wordt overgedragen aan het Rijk. Voor de Noordtunnel is dat in 2022 aan de orde, voor de Wijkertunnel in 2026. Dat is in de periode dat andere tunnels van vergelijkbare leeftijd aan een grootschalige renovatie toe zijn. Stoffel de Ronde: “Voor de Noordtunnel is afgesproken dat grootschalige renovatie pas na die overdracht zal plaatsvinden. Alle noodzakelijke werkzaamheden zijn al wel geïdentificeerd. Op basis van die inventarisatie wordt per onderdeel bepaald wat de beste oplossing is: direct vervangen, meer reserveonderdelen op voorraad houden of aanpakken bij de grootschalige renovatie. Voor de Wijkertunnel is nog geen formele beslissing genomen, maar die tunnel kan er nog wel even tegen. Toen de Velsertunnel dicht ging voor renovatie en de Wijkertunnel extra verkeer te verwerken kreeg, is de status van de Wijkertunnel nog eens extra goed onder de loep genomen. We hebben toen tijdelijk een extra rijstrook in gebruik genomen en vanwege die maatregel alles nagekeken en waar nodig vervangen. We weten dus dat het beheer daar goed op orde is.”

'Het uiteindelijke doel is dat we zo min mogelijk beton gebruiken'

Met zijn afstudeerscriptie Dimensionering van onderwaterbetonvloeren heeft Ruud Arkesteijn de Schreudersstudieprijs in de categorie Techniek gewonnen. De winnaar is het meest ingenomen met het oordeel van de jury dat het onderzoek een meerwaarde voor de praktijk betekent.

“Scripties kunnen heel diepgaand zijn en zich richten op fundamentale zaken en de verre toekomst”, vertelt Ruud Arkesteijn, maar ik houd van concreet en ben dan ook vooral blij met de lovende woorden over het praktische belang. Want daar lag ook de aanleiding. Al voor mijn afstuderen was ik parttime werkzaam bij ABT, waar men tegen problemen aanliep bij het ontwerp van onderwaterbetonvloeren. Bij gebruikmaking van de CUR-aanbeveling 77 kan het voorkomen dat voor een ondiepe bouwput een veel dikkere betonvloer uit de berekening komt dan voor een veel diepere bouwput. Dat was onder andere het geval bij de ondergrondse uitbreiding van het Mauritshuis, waarvoor een ongewapende vloer bijna niet te dimensioneren was. Die uitkomst botste met het fingerspitzengefühl van de ingenieur. Het ging tegen de logica in. Er was dus aanleiding om specifiek naar onderwaterbetonvloeren in ondiepe bouwputten te kijken.”

“Daarbij had ik het geluk dat CUR-aanbeveling 77 na tien jaar ook wel aan herziening toe was. Dat heeft er vervolgens toe geleid dat CUR-commissie VC95 van start is gegaan. Mijn werkgever ABT gaf mij het vertrouwen om mij, parallel aan mijn afstudeerwerk, in deze commissie plaats te laten nemen. Daar heb ik veel van geleerd en bovendien heeft dat de wisselwerking tussen theorie en praktijk versterkt. Naast de afstudeercommissie en ABT ben ik de leden van VC95 dan ook zeer dankbaar voor hun feedback. Als jonge ingenieur moet je leren van de ervaringen van meer ervaren collega’s. Het resultaat is dat mijn onderzoek een bijdrage heeft kunnen leveren aan de herziening van CUR-aanbeveling 77 die in het voorjaar van 2013 uit moet komen.”

“Op de korte termijn is het belangrijk dat we de pijnpunten uit de CUR-aanbeveling 77 kunnen halen. Hiervoor heb ik gevoeligheden aangetoond, die een goede basis vormen voor een gerichte aanpak van de probleempunten binnen de huidige rekenregels. Het uiteindelijke doel is dat we geen onnodige hoeveelheden beton gebruiken. Zeker voor tijdelijke constructies, zoals onderwatervloeren, is dat voor mij het voornaamste streven. Het leidt tot lagere kosten, kortere bouwtijd en een duurzamer bouwproces en grondgebruik. Daar is iedereen bij gebaat. Die boodschap wil ik graag verkondigen. Gelukkig geeft ABT mij de ruimte om door te gaan met het verzamelen van kennis en deze toe te passen binnen diverse projecten. Het is ook de bedoeling om de kennis die in dit traject is opgedaan te delen en veelvuldig toe te passen. Het onderzoek is mijn inziens van belang voor geotechnici, maar ook voor constructeurs en bouwmanagers, nu en in de nabije toekomst. Toepassingen van de nieuwe CUR-aanbeveling 77, kan grote hoeveelheden beton uitsparen.”

Voor Ruud Arkesteijn en voor de CUR-commissie zit de meerwaarde van deze studie specifiek in ondiepe bouwputten. De jury van de Schreuderstudieprijs gaat verder en zegt over de praktische meerwaarde: “Niet alleen om de veelvuldige toepassing te optimaliseren, maar ook om vanuit een verder ontwikkelde analysetechniek een extrapolatie naar diepere bouwputten te faciliteren en daarmee het ondergrondse bouwen voorbij de huidige grenzen te stimuleren.” Ruud Arkesteijn: “De bestaande rekenregels binnen de CUR-aanbeveling 77 leveren voor diepe bouwputten wel realistische diktes op. Daar is optimalisatie in mijn optiek niet zo aan de orde. Voor mij is de impact op ondiepe bouwputten het meest relevant. Het merendeel van de bouwputten in Nederland is ondiep. Bouwputten met een diepte van dertig tot veertig meter, zoals bij de Noord/Zuidlijn komt niet vaak voor. Anderzijds is het waar dat de optimalisatieslag die we binnen de CUR-commissie hebben gemaakt ook gevaren aan het licht heeft gebracht. De uitvoer van een damwandberekening één-op-één kopiëren, levert soms te gunstige resultaten op. Het onderzoek spits zich naast de verborgen veiligheden ook toe op mogelijke onveiligheden.”

(Foto: Vincent Basler)

Het Beursplein in Amsterdam krijgt de uitstraling terug die architect Berlage ooit voor ogen had. Natuurstenen bestrating, laanbomen en herstel van de oorspronkelijke paardendrinkbakken en verlichtingsarmaturen vormen vanaf medio 2018 een prettig verblijfsgebied. Zonder fietsen. Onder het Beursplein komt een fietsenstalling met circa 1.700 plaatsen. De gemeente Amsterdam en de omwonenden trekken samen op. Bouwinvest en de Bijenkorf dragen financieel bij.

De aanleg van de fietsparkeergarage past in het streven van de gemeente Amsterdam om het centrumgebied (postcode 1012) op te waarderen, en maakt onderdeel uit van de nieuwe entree van Amsterdam, het project Rode Loper. Herinrichting van het Beursplein is de kers op de taart van de vernieuwing van het plein én zijn wanden. Op dit moment wordt Damrak 70, de noordwestwand van het Beursplein, volledig gerenoveerd.

Ton de Rijcke, manager uitvoering bij Rode Loper en algemeen manager voor de fietsparkeergarage: “We zijn al jaren bezig het centrum op te waarderen. De hoeveelheid fietsen zit ons daarbij in de weg. Waar fietsen staan, is geen plaats voor het steeds groter wordende aantal voetgangers. We hebben gezocht naar aanvullende financiering voor de fietsgarage. Bouwinvest levert een substantiële bijdrage. Ook de Bijenkorf heeft, onder voorwaarde van adequate handhaving bovengronds, een bijdrage toegezegd. We zien dit als een gebaar dat duidelijk maakt dat er in de directe omgeving draagvlak is voor dit project.”

Wim-Jaap Eising, senior assetmanager bij Bouwinvest: “Een betere inrichting van het Beursplein draagt bij aan de kwaliteit van het winkelgebied. We voelen ons als Bouwinvest ook verantwoordelijk voor een goede invulling van het plein. Het is in potentie prachtig. Een kwaliteitsimpuls is nodig, en dat kan alleen als je erin slaagt het fietsprobleem op te lossen. Daarom hebben wij toegezegd een investeringsbijdrage te leveren. Wij delen de ambitie van de gemeente Amsterdam om in het kader van het 1012-programma de kwaliteit van de hele binnenstad te verhogen. Het Damrak wordt ontwikkeld tot een hoogwaardige winkelstraat. Bouwinvest renoveert Damrak 70, een winkelpand van ruim 22.000 vierkante meter, en draagt daarmee bij aan de kwaliteitsimpuls voor dit gebied.”

Damrak 70 was tot voor kort een massief stuk bebouwing, gerealiseerd in de jaren zestig, nadat het oorspronkelijke C&A-gebouw in 1963 was afgebrand. Bouwinvest heeft een compleet nieuwe gevel aangebracht, die aansluit bij de oorspronkelijke verkaveling met smalle diepe panden aan het Damrak. Op het nieuwe Beursplein komen kleinere bomen dan nu het geval is, waardoor de gevel van Damrak 70, maar ook van Euronext, beter zichtbaar is en daardoor meer onderdeel uitmaakt van de uitstraling van het Beursplein. Plein en wanden – naast Damrak 70 zijn dat de Beurs van Berlage, Euronext en de Bijenkorf – vormen straks weer een geheel.

Gezamenlijk belang

De samenwerking tussen gemeente en omwonenden is dus zeker niet alleen financieel gedreven. Wim-Jaap Eising: “De goede samenwerking met de gemeente Amsterdam hebben we ook bij project 1012 al ervaren. Wij zijn vrij snel tot speerpuntproject uitgeroepen, en dat heeft veel betekend voor de samenwerking. We kregen te maken met een toegewijd team van de gemeente dat ons hielp onze plannen verwezenlijkt te krijgen. Onze ambities komen overeen. Met 22.000 vierkante meter vormen C&A en Primark straks een zwaartepunt in de stad. We zijn er beide bij gebaat als de omgeving op orde is.”

Ton de Rijcke: “Ook voor de fietsparkeergarage Beursplein trekken we samen op met belanghebbenden. We nodigen omwonenden en bedrijven uit voor overleg over de toekomstige plannen. Dat hebben we ook in de voorontwerpfase gedaan. Vragen en wensen van gebruikers zijn verwerkt in de vraagspecificatie die in de aanbesteding onderdeel uitmaakt van het contract. Daarbij gaat het niet alleen om eisen aan de eindfase, maar vooral ook om eisen aan de bouwfase. In een gebied als dit zijn er natuurlijk randvoorwaarden voor aspecten als bevoorrading, afvalinzameling en bereikbaarheid voor hulpdiensten.”

Aanbesteding

Wensen van belanghebbenden hebben hun weg gevonden naar de aanbestedingsprocedure. Ton de Rijcke: “Op basis van een Europese aanbesteding hebben we vijf aannemers geselecteerd die mogen inschrijven op een design-en-constructcontract. Deze partijen zijn geselecteerd op kerncompetenties, waaronder ervaring in het bouwen in binnenstedelijk gebied in de nabijheid van monumentale panden, ervaring met het ontwerpen van een ondergrondse fietsenstalling en ervaring in het maken van plannen om omgevingshinder te voorkomen en gedurende de bouw het omgevingsmanagement uit te voeren.”

De gemeente Amsterdam selecteert op kwaliteit. Ton de Rijcke: “We hebben de aannemers een financiële bandbreedte aangegeven. We kiezen de partij die daarbinnen de beste kwaliteit kan bieden zowel tijdens de bouw als in de gebruiksfase. Fietsers moeten verleid worden om ondergronds hun fiets te stallen. We zullen er alles aan doen om het comfort en gebruiksgemak van de stalling voor de fietser te maximaliseren, en tijdens de bouw van de stalling de overlast voor de omgeving te minimaliseren.”

Tramtunnel

In 1996 begon de bouw van het Souterrain in Den Haag, een 1.250 meter lange tramtunnel onder de Grote Marktstraat met twee ondergrondse stations en tussen deze stations een 600 meter lange ondergrondse parkeergarage met twee parkeerlagen.

Volgens de planning zou het project voor het jaar 2000 gereed zijn, maar door grondwaterproblemen kwam het project ruim twee jaar stil te liggen en moest voor de afbouw gebruik worden gemaakt van een speciale bouwtechniek. Uiteindelijk werd de tunnel in 2004 in gebruik genomen. Sindsdien wordt hij gebruikt voor diverse tramlijnen en inmiddels ook door RandstadRail.

Tot de bouw van de tunnel werd besloten om het bovengrondse winkelgebied leefbaar en goed bereikbaar te houden. Dat is ondanks de problemen tijdens de bouw uitstekend gelukt. De drukke Grote Marktstraat is veranderd in een rustige, chique winkelpromenade en de ruim dertig trams per uur vervoeren dagelijks duizenden bezoekers naar en van de ondergrondse stations Spui en Grote Markt.

De Haagse tramtunnel, ook wel het Souterrain genoemd. (Foto: Flickr/Marco Raaphorst)

Bouwmethode

De tunnel is gebouwd volgens de wanden-dakmethode om overlast op maaiveld zoveel mogelijk te voorkomen. De wanden bestaan voor het grootste deel uit diepwanden en alleen ter plaatse van de Kalverstraat uit stalen damwanden. Op de meeste plaatsen staan de wanden zeer dicht op de bestaande bebouwing, die voornamelijk op staal is gefundeerd.

Over het grootste deel van het tracé bedraagt de afstand tussen de wanden ongeveer 15 meter, alleen ter plaatse van de stations staan ze circa 25 meter uit elkaar. Op de plekken waar de tunnel 15 meter breed is, is de bouwput aan de onderzijde voorzien van een groutboog, die bestaat uit korte elkaar overlappende jetgroutkolommen in de vorm van een afgevlakte ‘U’. De jetgroutboog is aangebracht om het grondwater tegen te houden en om de verticale kracht op de bouwputbodem door de opwaartse waterdruk naar de wanden te leiden. Verder functioneerde de boog tijdens de bouw als stempel voor de wanden. Hiervoor was het nodig dat de boog zo hoog mogelijk in de grond zat, zodat de stempelfunctie optimaal was en de wanden zo min mogelijk zouden vervormen. Het toepassen van een groutboog voor deze drie functies was nieuw.

Ter plaatse van de stations was de bouwput te breed om een groutboog te kunnen toepassen. Hier is gebruik gemaakt van een gellaag voor de verticale stabiliteit en het tegenhouden van het grondwater. Deze oplossing was in ons land al diverse keren met succes toegepast.

Groutboog niet waterdicht

De bouw startte in maart 1996. Het aanbrengen van de diepwanden en damwanden verliep vrijwel zonder verzakkingen van de nabijgelegen bebouwing. Toen het dak was aangebracht werd begonnen met het ontgraven van de bouwput. In februari 1998 was de bouwput op de Kalvermarkt bijna volledig ontgraven, toen er via wellen grondwater omhoog kwam. De groutboog bleek niet waterdicht. Er werd nog geprobeerd om de wellen te dichten met injecties en het aanbrengen van geotextiel en ‘big bags’ als ballast, maar dit bleek niet te werken. Nadat er naast de damwand een gat in de straat ontstond door weggespoeld zand, werd besloten om de lekkage te stoppen door de bouwput onder water te zetten. Hierdoor kwam de bouw stil te liggen.

Deze situatie duurde uiteindelijke ruim twee jaar. In deze periode werd beoordeeld of de lekkage aan de Kalvermarkt een incident was of dat de onbeheersbare welvorming inherent was aan de in het bestek voorgeschreven bouwmethode met de groutboog. Uit een faalkansanalyse bleek dat de kans om meer lekken in de groutboog groot was en dat het weggraven van grond boven een lekke groutboog alleen veilig is als er voldoende grond achterblijft op de boog. Bij de tramtunnel was een dergelijke gronddekking niet haalbaar, omdat de grond op sommige plekken vrijwel tot op de boog ontgraven moest worden.

Tramkom heeft daarom gezocht naar een alternatieve methode voor het afbouwen van de tunnel. Na verschillende opties te hebben bekeken, is besloten om de delen met een groutboog onder verhoogde luchtdruk (1,14 bar) af te bouwen om te zorgen dat er nauwelijks een verschil zou zijn met de waterdruk onder de groutboog. In juni 2000 werd voor de delen met een groutboog het contract omgezet in een ‘design & construct’. Tramkom nam daarmee de verantwoordelijkheid op zich voor het gewijzigde ontwerp. Verder werd afgesproken dat de overige delen van de tunnel volgens het bestek werden afgebouwd.

Verhoogde luchtdruk

Het afbouwen onder verhoogde luchtdruk, had ingrijpende gevolgen. Zo moesten er luchtsluizen worden gemaakt voor mensen en materieel en moest alle afgegraven grond via deze sluizen worden afgevoerd. Om de luchtkwaliteit in de compartimenten met hoge luchtdruk goed te houden werd er alleen met elektrisch materieel gewerkt. Verder konden de bouwers minder lang werken en moesten elke keer bij het verlaten van het compartiment maatregelen worden genomen om ‘caissonziekte’ te voorkomen.

Ook constructief waren er extra maatregelen nodig om geen problemen te krijgen door de hogere druk. Bij tunnel onder de Kalvermarkt moest de vloer boven de eigenlijke tramtunnel – die al was gestort – tijdelijk met een staalconstructie worden verstevigd. Verder moesten hier groutankers worden aanbracht om te voorkomen dat de stalen damwanden omhooggedrukt zouden worden. Onder de Grote Marktstraat was de vloer boven de tunnel nog niet gestort. Om deze vloer geschikt te maken voor de verhoogde luchtdruk werd hij veel zwaarder uitgevoerd en werd gekozen voor een andere verbinding met de diepwanden. Verder werd er tijdelijk ballast op de vloer geplaatst.

Bemalingsproblemen

In de zomer van 2000 werd ook het ontgraven van de bouwput voor station Spui hervat. In juli ontstond hier een wel, vlakbij het compartimenteringsscherm dat de bouwput van station Spui en de bouwput van de Kalvermarkt scheidde. Deze laatste stond nog onder water. Na enkele uren bezweek het scherm en liep ook de bouwput bij het Spui onder. Om dit probleem te verhelpen werd eerst het scherm versterkt en vervolgens grond tegen het scherm aangebracht. Daarna kon het water uit de bouwput Spui worden gepompt.
De maanden daarna bleef de bemaling – die gedurende de tweejarige bouwstop steeds had gefunctioneerd en water wegpompte tussen de gellaag en een daar boven gelegen veenlaag – problematisch. Filters slibden dicht waardoor onvoldoende grondwater kon worden weggepompt. Daardoor dreigde de waterspanning onder de veenlaag zo hoog te worden dat deze zou opbarsten en vervolgens de diepwanden zouden vervormen.

Om de bemaling weer op het gewenste niveau te krijgen, zijn verschillende maatregelen genomen. De grond uit de bouwput is in sleuven van ongeveer zes meter afgegraven over de breedte van de bouwput. Nadat een sleuf was ontgraven is hierin een werkvloer gestort die tegelijkertijd als stempel diende. Voor de bemaling is een groot aantal grondpalen aangebracht, die op de hoogte van de veenlaag waren ‘afgestopt’ en daaronder waren voorzien van een filter. Dat maakte het mogelijk om deze palen ‘aan’ en ‘uit’ te zetten. Pas als het ontgraven begon startte de bemaling. Door deze werkwijze hoefde de bemaling per sleuf slechts drie weken te werken.

Inzichten

Door alle problemen werd de tunnel uiteindelijk ruim vier jaar later in gebruik genomen dan gepland en namen de bouwkosten met circa 100 miljoen euro toe. Na deze moeilijke start, functioneert de tunnel goed. De problemen hebben ook tot de nodige inzichten geleid. Zo concludeert de Delftse hoogleraar funderingstechniek Frits van Tol in 2004 in een artikel in het blad Geotechniek onder andere dat de Tramtunnel nog eens heeft duidelijk gemaakt dat bij ondergronds bouwen:
voldoende robuust moet worden ontworpen
rekening moet worden gehouden met afwijkingen in de bodem en de gerealiseerde (deel)constructies
vooraf moet worden geïnventariseerd welke gevolgen het falen van onderdelen van de constructie hebben
en vooraf maatregelen moet zijn voorbereid om de gevolgen van falen te minimaliseren.
Ook geeft hij aan dat bij de toepassing van waterkerende lagen die zijn gemaakt met groutinjecties, altijd rekening moet worden gehouden met lekken. Verder adviseert hij om softgellagen alleen als waterremmende laag te gebruiken als de bouwfase niet langer dan twee jaar duurt.

Onderzoek naar kosten toont vooral complexe wereld

Gebiedsontwikkeling kan slimmer. Voorzieningen als mantelbuizen en kabels-en-leidingentunnels kunnen voorkomen dat de straat geregeld open moet, maar toch worden ze niet en masse aangelegd. Een belangrijke oorzaak lijkt een gebrek aan inzicht en balans tussen betalen en genieten: degene die moet investeren, krijgt er te weinig voor terug. Een COB/SKB-consortium probeerde de kosten en dekking van kosten inzichtelijk te krijgen.

Eind april 2013 werd de ontwerp-Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere- Markermeer aangeboden aan de Tweede Kamer. Hierin staat: ‘Het Rijk kiest in deze structuurvisie voor een organische ontwikkeling met een gefaseerde aanpak. Dit betekent dat er geen vaststaand eindbeeld of vaste einddatum voor de ontwikkeling wordt vastgelegd, maar dat op adaptieve wijze, stap na stap, naar het toekomstperspectief wordt toegewerkt. De marktvraag naar woningen en bedrijfslocaties is sturend.’ De vraag hoe zal worden omgegaan met de ondergrond, bijvoorbeeld voor het aanleggen van kabels en leidingen, komt niet ter sprake. Terwijl nutsvoorzieningen toch cruciaal zijn om te kunnen wonen, werken en recreëren.

“Dit voorbeeld staat niet op zichzelf. Bij het (her)inrichten van een gebied is het vaker de vraag of er een optimaal resultaat wordt behaald; misschien is er voor alle betrokken partijen meer winst te behalen als we slimmer zouden omgaan met de kosten. Niet alleen wat betreft financiële opbrengst, maar ook aan winst in comfort”, aldus Richard van Ravesteijn, coördinator Kabels en leidingen bij het COB. In 2010 is daarom een consortium van COB-partijen met deze probleemstelling aan de slag gegaan. Het doel was om inzicht te verschaffen in de kosten die gemoeid zijn met investeringen in energie- en nutsinfrastructuur in relatie met gebieds- en gebouwontwikkeling, inclusief een voldoende inzicht in de dekking van de kosten. Van Ravesteijn: “Dit inzicht is noodzakelijk om maatschappelijke optimalisatie bij gebiedsontwikkeling mogelijk te maken.”

Onbekend maakt onbemind

Uit het onderzoek blijkt dat er grofweg drie partijen betrokken zijn bij gebiedsontwikkeling: de gebiedsontwikkelaar (vaak de gemeente), de netbeheerder en de vastgoedontwikkelaar. In praktijk hebben deze partijen echter verschillende belangen en eigen verdien- en exploitatiemodellen, wat het lastig maakt om gezamenlijke oplossingen en investeringen te realiseren.

Grondexploitatie (GREX), bouwexploitatie (BEX) en vastgoedexploitatie (VEX) komen samen bij gebiedsontikkeling. (Beeld: rapportage ‘Verdienstelijke netwerken’)

Voor het verwezenlijken van initiatieven als bundeling van kabels en leidingen moet de gemeente nu vaak het voortouw nemen, zowel in organisatie als financiering. De complexe situatie heeft ook tot gevolg dat het moeilijk is om inzicht te krijgen in de kosten en dekking van kosten. Om deze reden is er in het onderzoek uiteindelijk alleen naar de kwalitatieve kant van het vraagstuk gekeken.

Er zijn vijf projecten onderzocht waarbij de exploitatie van ondergrondse infrastructuur voor uitdagingen zorgde. “De centrale vraag lijkt te zijn: is bundeling goedkoper of duurder in dichtbebouwd gebied?”, vertelt Van Ravesteijn. “De nabijheid van consumenten kan een voordeel zijn voor conventionele aanleg van kabels en leidingen; mogelijk dat netbeheerders daarom terughoudend zijn met het investeren in hoogwaardige oplossingen. Het is de vraag of netbeheerders zich bewust zijn van de kosten van graven in de grond, eventuele graafschade en de extra kosten die daarmee gepaard gaan.”

Gemeenten en ingenieurs beoordelen bundeling in dichtbebouwde gebieden juist als gunstiger dan conventionele aanleg. Dit met name vanwege de grote hoeveelheid kabels en leidingen en de ordening die met bundeling in de ondergrond tot stand wordt gebracht. Een betere documentatie van gebiedsspecifieke informatie door de netbeheerder kan leiden tot een verhoogd bewustzijn van de kosten, waardoor het draagvlak voor hoogwaardige oplossingen voor kabels en leidingen (zoals bundeling) zal toenemen.

Oplossingen

Bij de onderzochte praktijkprojecten werd op verschillende manieren gezocht naar samenwerking. Zo is voor het project Nieuw Den Haag een convenant opgesteld, voor de Boulevard Scheveningen een intentieverklaring tot graafrust en voor de ILT Mahlerlaan een gebruikersovereenkomst. De manier waarop afspraken worden gemaakt, hangt samen met de verschillen tussen gemeenten ten aanzien van het beleid voor kabels en leidingen (verordening, precarioregeling en nadeelcompensatie). “Door het maken van afspraken komen de verschillende maatschappelijke belangen van gemeenten en netbeheerders samen (bijvoorbeeld: overlast omgeving en leveringszekerheid). Dit draagt bij aan een betere balans tussen betalen en genieten”, aldus Van Ravesteijn.

Lees meer over de integrale leidingtunnel voor Den Haag Nieuw Centraal in de Verdieping van december 2012. (Foto: IbDH)

Aanzet

De uitkomsten van het onderzoek worden in juni 2013 gepresenteerd in het rapport Verdienstelijke netwerken. Van Ravesteijn licht toe: “De rapportage richt zich met name op de beleidsmakers en economen vanuit overheid, netbeheerders en vastgoedontwikkelaars. Zij krijgen hiermee beter zicht op de omgeving waarin kabel- en leidingvraagstukken zich afspelen. Daarnaast hopen we dat het rapport zal aanzetten tot nadenken en discussie, zodat het mogelijk wordt alsnog een kwantitatief onderzoek uit te voeren. Daarmee kunnen we echt stappen zetten richting maatschappelijke optimaliteit bij de aanleg van kabels en leidingen bij gebiedsontwikkeling.”

Zo kan het ook: toffe tunnels

Een tunnel is in principe een middel om van A naar B te komen. Maar je kunt er méér van maken. Met creatief licht-, kleur- en materiaalgebruik zijn de functionele kunstwerken te transformeren tot spraakmakende échte.

Dit was de Onderbreking Waardering

Bekijk een ander koffietafelboek: